DE UITVINDERS VAN DE NIEUWE IJSTIJD

De komst van de klapschaats gaat in het nieuwe, olympische seizoen een ware revolutie ontketenen. Elk wereldrecord staat op lossen schroeven, mede dankzij het wetenschappelijk onderzoek dat het team van professor Gerrit Jan van Ingen Schenau aan de Vrije Universiteit van Amsterdam de afgelopen tien jaar heeft verricht.

Ga voorovergebogen op blote voeten in de schaatshouding staan. Maak schuivend over de vloer met één been een schaatsbeweging. Automatisch veert de enkel en het achterste deel van de voet van het andere been omhoog. Zie hier de fysiologische achtergrond van de klapschaats. De kniebeweging wordt door het nieuwe fenomeen beter benut. De kuitspieren en een krachtiger strekking van de enkel zorgen voor meer explosieve kracht in de afzet op het ijs. Jumping Jack, een door professor Gerrit Jan van Ingen Schenau ontwikkelde metalen figuur die de biomechanische effecten van de sprongbeweging uitbeeldt, stond hiervoor model.

Generaties lang dacht de mens dat de schaatsschoen moest worden vastgenageld aan de ijzers. Tot een stel bewegingswetenschappers op zweterige kamertjes van de Vrije Universiteit in Buitenveldert in de jaren tachtig het tegendeel probeerden te bewijzen. Voor het geld deden ze het niet, want de Duitser Karl Hannes had al in 1894 het prototype ontwikkeld en daar een octrooi op aangevraagd. Het ging de biomechanici om de optimale toepassing waarvan de schaatstop en de producenten zouden kunnen profiteren.

Pas na tien jaar kregen ze op de ijsbaan erkenning. In de asgrauwe ambiance van Oost-Berlijn leverde de vrouwenkernploeg een jaar geleden het bewijs dat de klapschaats leidt tot een krachtiger afzet en dus tot betere tijden. Gunda Niemann, de koningin van het schaatsen, trok van ergernis de haren uit haar hoofd. Zij werd door Tonny de Jong in haar hemd gezet. Na de spectaculaire resultaten van de vrouwen raakte de schaatswereld snel overtuigd. De mannen volgden schoorvoetend. De schaatsrevolutie was geboren, een Nieuwe IJstijd aangebroken, de noor had afgedaan. “Alle wereldrecords zullen dit seizoen verbeterd worden”, voorspelt topsportcoördinator Ab Krook. “Dat heeft te maken met de klapschaats, maar ook met Calgary waar in maart de WK afstanden worden verreden. Deze baan is sneller dan ooit. Het wordt een seizoen van verrassingen. Je zult zien dat er nieuwe toppers opstaan.”

Toen Tonny de Jong, Barbara de Loor en Carla Zijlstra in Berlijn het ijs betraden, zat Van Ingen Schenau met het zweet in de handen achter de buis. “Als Barbara of Tonny daar was gevallen was het Schluss geweest”, zegt hij. “Of de schaats nu werkte of niet. Toen de resultaten in Hamar en Heerenveen bevestigd werden, dacht ik: Tsjakka!” Ook Krook beseft een jaar na dato dat de wereldbekerwedstrijd in Berlijn cruciaal is geweest voor de doorbraak van de klapschaats. “We hadden er in het voorseizoen mee geëxperimenteerd. We wisten dat we er niet slechter mee gingen presteren. Het toeval wilde dat De Jong en De Loor in Berlijn in vorm waren. Een griepje en niemand had nu nog op de klapschaats gereden. Op de zomertraining in augustus vorig jaar in Hamar reden slechts drie rijders van de 120 internationale toppers op klapschaatsen, nu rijdt bijna iedereen er op.”

In 1978 begon Van Ingen Schenau als ingenieur zijn onderzoek naar de schaatsbeweging. Inmiddels is hij meer dan tweehonderd wetenschappelijke publicaties naar het menselijk bewegen verder en mag hij de titels professor en doctor voor zijn naam zetten. In 1986 kregen de meeste kernploegleden een set klapschaatsen. Geert Kuiper en Emiel Hopman deden als eerste mee aan de experimenten. De scharnierende ijzers waren destijds vervaardigd op initiatief Van Ingen Schenau en Gert de Groot in samenwerking met de instrumentenmakers Wim Schreurs, Hans Meester en Guus van den Beek. De kernploegleden en hun coach Henk Gemser reageerden positief, maar toch zou het tien jaar duren voordat de noviteit erkenning kreeg. De junioren in Zuid-Holland deden voorafgaand aan de vrouwen twee jaar lang baanbrekend werk. “Dat kwam doordat hun trainer Van Kordelaar hier op de VU studeerde. Zelfs nadat de junioren er opvallende resultaten mee boekten, waren er mensen die zeiden: ja, maar die jongens moesten het bewijzen, dus die hebben twee keer zo hard getraind”, aldus Van Ingen Schenau. Op zijn werkkamer in Buitenveldert wordt hij in zijn relaas aangevuld door Han Houdijk, een onderzoeker in opleiding die met subsidie van de Stichting Technisch Wetenschappen de klapschaats voor 2000 moet optimaliseren. “Het is alleen nog een kwestie van de fijnafstelling”, zegt Houdijk.

In de volle kantoorruimte hangen schilderijtjes in de stijl van de zeventiende-eeuwse schilder Hendrick Avercamp. De man die de penseel beroerde is in dit geval Van Ingen Schenau. Er is een schaatser zichtbaar op een sloot met aan weerszijde palmbomen. “Een wintertafereel in de tropen”, zegt de hoogleraar met een stalen gezicht. Ook als hem gevraagd wordt naar de late erkenning van de klapschaats vertrekt hij geen spier. “We hebben tien jaar geleden geweigerd garanties te geven dat je er harder op rijdt. Er was geen enkel wetenschappelijk bewijs dat het sneller zou gaan. Zelfs vorig jaar hebben we nog geweigerd Krook een positief advies te geven. De rijders kunnen wij dan ook niets verwijten. Zij behoren tot de best getrainde atleten ter wereld. Dat hebben we in testen naar hun anaërobe vermogen onderzocht. Wel, als je zo'n topper bent neem je geen risico's met vreemd materiaal.”

Frustraties over het feit dat de schaatsvedetten een decennium weinig of niets deden met hun bevindingen, hebben Van Ingen Schenau en zijn mannen niet gekend. “Wij worden afgerekend op onze publicaties. Welke wetenschappelijke bladen haal je? Hoe vaak word je gevraagd voor een belangrijke internationaal congres? Dat bepaalt mede hoeveel subsidies je krijgt. Het is leuk geweest onderzoek naar schaatsen erbij te doen, maar onze ziel en zaligheid ligt in de wetenschap. Wij leiden studenten op. Het geeft ons een kick te zien hoe die mensen zich ontplooien. Verleden week is er weer een artikel geaccepteerd door de Journal of Physiology. Dan neem ik 's avonds een lekker glaasje wijn.”

Rintje Ritsma's ploeggenoot André Vreugdenhil maakte als junior van het gewest Zuid-Holland als eerste furore op de klapschaats. “Ik heb vijf type Viking-schaatsen onder mijn voeten gehad”, vertelt de man die in 1995 Nederlands juniorenkampioen werd op de scharnierende ijzers. Hij plaatst als proefkonijn een enkele kanttekening. “Zo lang je met bewegende delen werkt, blijft de kans aanwezig dat er iets stuk gaat. Vooral als het sneller moet, zoals op de Spelen.Ik heb elk jaar wel iets kapot zien gaan. Hoewel dat bij mij alleen op de trainingen is gebeurd.”

Rintje Ritsma stond aanvankelijk mede om deze reden wat gereserveerd tegenover de klapschaats. Scepsis heeft inmiddels plaatsgemaakt voor enthousiasme. Juist wegens de nieuwe ontwikkelingen heeft hij besloten na de Winterspelen nog een seizoen verder te gaan. “Want in één jaar kun je niet het uiterste uit de klapschaats halen. Ik heb het idee dat ik nog explosiever kan starten.”

In het streven naar perfectie krijgen de schaatsers ondersteuning van de pioniers uit de wetenschap. In Inzell hebben Han Houdijk en Jos de Koning in het voorseizoen een uitgebreid onderzoek gedaan. Houdijk wil niets kwijt over de resultaten. “Behalve de individuele gegevens van de rijders, die sowieso vertrouwelijk zijn, mogen we er op verzoek van de subsidiegevers geen uitspraken over doen. Al hebben we grote behoefte er met buitenstaanders over te discussiëren.” NOC*NSF heeft geheimhouding verzocht tot na de Winterspelen om te voorkomen dat de buitenlandse concurrentie profiteert van onderzoekgegevens. Van Ingen Schenau wil een klein tipje van de sluier oplichten. “De rapporten mag je wel zien, alleen de inhoud niet. Ze hebben de dikte van een pink. We hebben ze uitgereikt aan de kernploegen en het team van Sanex. Er is in Inzell twee weken lang van 's morgens acht tot half twee 's nachts aan het onderzoek gewerkt. Het enige wat ik ervan wil zeggen, is dat we na twintig jaar onderzoek nu pas het gevoel hebben dat we de essentie van de schaatsmechanica op het spoor zijn. Onze taak is de kennis over het bewegen van de mens en de wijze waarop het brein dat aanstuurt te vergroten. Schaatsen is motorisch een zeer intelligente sport. Het vergt gewoon veel vaardigheid op het gebied van techniek. Het is niet uitgesloten dat motorische intelligentie een koppeling heeft met cognitief intellect (bezitten van kennis, red.). Dit verklaart wellicht de leergierigheid van de schaatser.”

Wonderen hoeven niet meer te worden verwacht. Van Ingen Schenau deelt de opvatting van Rintje Ritsma dat de grootste sprong voorwaarts is gemaakt. “Een nog grotere vooruitgang acht ik bijna uitgesloten. Aangetoond is dat je op de middenafstanden ruim een seconde kunt winnen door de klapschaats. Dat vertegenwoordigt een vooruitgang in vermogen van liefst tien procent. We moeten er nog wel een paar procentjes meer uit kunnen halen. Maar bij alles is het zo dat de wetenschap geen kampioenen maakt. De schaatser moet het doen.”

Volgens de berekeningen van Van Ingen Schenau zouden de wereldrecords bij de mannen er daardoor als volgt kunnen uitzien: 34.5 op 500 meter, 1.09,7 op 1.000 meter, 1.47,3 op 1.500 meter, 6.22 op 5.000 meter en 13.13 op 10.000 meter. De hoogleraar vermoedt verder dat ook met andere technieken tijdwinst is te boeken. “Bijvoorbeeld met een atletiekstart. Voorovergebogen en met de handen op het ijs. Maar dan moet er wel een afzet mogelijk zijn. Jos de Koning heeft in '88 in Calgary al aangetoond dat de versnelling in de eerste fractie van een seconde al de helft verklaart van de eindtijd op de sprint. Als er ergens nog winst is te behalen, dramatisch veel, dan is het op het gebied van de luchtwrijving. Maar geen hond weet nog hoe.”

Met de klapschaats moet de orthodoxe starttechniek worden aangeleerd. Een pikstart is niet mogelijk. Het vermoeden van sommige rijders dat de klapschaats daardoor negatief werkt op de eerste ronde werd in de praktijk gelogenstraft. Jos de Koning: “Op de eerste honderd meter van het NK zag je dat de vrouwen een verlies leden van 0,2 seconde, vervolgens werd op de resterende 400 meter 0,6 seconde gewonnen. Kwam je toch nog uit op 0,4 seconde voordeel.” Ook de gedachte die bij de onderzoekers zelf aanvankelijk postvatte dat de leeftijd bij het aanleren van het 'klapschaatsen' een rol speelt is door praktijk verworpen. “Dat werd ons duidelijk nadat Emese Hunyady op de 1.500 meter onder de twee minuten dook. Die is toch al 31 jaar.”

Rest ten slotte de mogelijkheid dat buitenlandse onderzoekers de ontwikkeling van de klapschaats nog verder perfectioneren dan de geleerde mannen van de VU. Vooralsnog moet er een achterstand bestaan op het gebied van materiaal en kennis. Vorig seizoen worstelden buitenlandse rijders met het probleem dat er voor hen een tekort was aan klapschaatsen. Gerard Kemkers, de Nederlandse bondscoach van de Amerikaanse mannenploeg: “Bij de firma Havekotte heb ik veertig paar kunnen bestellen. Maar ik blijf bang dat in Japan of Nederland universiteiten of hobbyisten met een ontwikkeling komen die een nieuwe vooruitgang betekent. Dat zou kort voor de Spelen funest zijn voor ons. Dan houd ik weer net zo'n gefrustreerd gevoel over als vorig seizoen.” Ritsma kan hem misschien geruststellen. “Ik weet dat Duitsers met drukplaten hebben getest. Maar de test van de VU was veel uitgebreider. De klapschaatsen van Shirahata zijn door zijn trainer Kuroiwa vervaardigd. De gebroeders Miyabe hebben ook hun eigen schaatsen ontworpen.”

Van Ingen Schenau lacht schalks. “We zijn wel zo arrogant dat we denken dat wij van de achtergronden veruit het meeste weten. Dat neemt niet weg dat ze in het buitenland best bij toeval iets kunnen ontwikkelen dat beter werkt. In Canada bijvoorbeeld is voor dit type onderzoek een pot van ongeveer 40 miljoen gulden beschikbaar. Wij moeten het in Nederland doen met een paar ton.”