De trein naar Rotta

BOOR balans 3: Archeologisch onderzoek in het tracé van de Willemsspoortunnel te Rotterdam. Geïll., 324 blz., prijs: ƒ 65,-. Te bestellen bij: BOOR, St. Jobsweg 7 3024 EH Rotterdam.

IN DE TIENDE en elfde eeuw hebben langs de oevers van stroompjes en rivieren zoals de Rotte, de rivier waaraan Rotterdam zijn naam dankt, mensen gewoond. De negende- en tiende-eeuwse sporen die daarvan zijn teruggevonden, kunnen in verband worden gebracht met de nederzetting Rotta. Dit is een van de uitkomsten van het archeologisch onderzoek dat tussen 1988 en 1992 is uitgevoerd in het tracé van de Willemsspoortunnel in Rotterdam. De naam Rotta is voor het eerst in 1028 genoemd, maar overblijfselen van de nederzetting die waarschijnlijk zeer klein was, zijn nooit eerder gevonden.

De Willemsspoortunnel werd gebouwd ter vervanging van de Willems(spoor)brug over de Nieuwe Maas en de beroemde 'Hef' die het Noordereiland met Feijenoord op de linker Maasoever verbindt. Het tunneltracé volgt vanaf de rechter Maasoever tot het station Hofplein de Rotte, de slagader van het middeleeuwse Rotterdam. In dit deel van de tunnel, ruim een kilometer lang, 35 meter breed en maximaal 17 meter diep vond het archeologisch onderzoek plaats. Het resultaat daarvan is neergelegd in het ruim driehonderd glanspapier-pagina's tellende boek 'BOOR balans 3', een uitgave van het Bureau Oudheidkundig Onderzoek van Gemeentewerken Rotterdam (BOOR) en de Coördinatie Commissie van Advies Inzake Archeologisch Onderzoek Binnen Het Ressort Rotterdam.

Het onderzoek, dat circa 2,5 miljoen kostte en betaald werd door de NS en de gemeente Rotterdam, heeft talrijke gegevens opgeleverd over de ontstaansgeschiedenis van de Maasstad. Sporen van bewoning en vondsten van bijvoorbeeld stenen werktuigen en aardewerk wijzen erop dat in het gebied van de benedenloop van Rotte al in pre-historische tijden, de Romeinse tijd en in de vroege Middeleeuwen sprake is geweest van bewoning. De oudste vondsten dateren uit de Nieuwe Steentijd (circa 4500 jaar v.Chr.). Nabij de Sint-Laurenskerk werden sporen van een nederzetting uit de Romeinse tijd aangetroffen zoals een crematiefgraf met bijzettingen.

Tot de belangwekkendste 'ontdekkingen' behoren de talrijke artefacten uit de vroege Middeleeuwen. Daaruit valt af te leiden dat langs de benedenloop van de Rotte en langs de Nieuwe Maas (toen Merwe geheten) mensen woonden, waarschijnlijk in de achtste en negende eeuw en in elk geval vanaf de tiende eeuw. Er was vermoedelijk sprake van lintbebouwing langs de oevers. Het import-aardewerk alsmede het relatief grote aantal elfde-eeuwse munten dat is teruggevonden, wijzen op handelsactiviteiten. In de twaalfde eeuw is deze nederzetting als gevolg van overstromingen verdwenen.

Niet bekend

De tunnelbouw boodt een gelegenheid uitgebreid onderzoek te doen naar de dam in de Rotte waaruit het middeleeuwse Rotterdam is ontstaan dat in 1283 als zodanig voor het eerste wordt genoemd. De dam die circa 400 meter lang was, bevond zich ter plaatse van de huidige Hoogstraat waar de spoortunnel vlak langs loopt. De aanleg van de dam was het sluitstuk van het proces van bedijking in het gebied ten noorden van de Nieuwe Maas: de gebieden die hier in de twaalfde eeuw door overstromingen verloren waren geraakt, werden door de aanleg van polders teruggewonnen. De aanleg van de Rotte-dam dateert van rond 1260 of 1270, zo is uit onderzoek gebleken, en niet van 1240 zoals historici lang hebben aangenomen.

Na aanleg van de Middeldam, zoals het afgedamde deel van de Rotte ter hoogte van de huidige Hoogstraat in het verleden werd genoemd, is men er direct op gaan wonen. In de veertiende eeuw verrezen hier de eerste stenen huizen. De Hoogstraat was en bleef tot in deze eeuw het hart van de stad. Het onderzoek in de bouwputten en vroegere beerputten aan weerszijden van de Hoogstraat heeft talloze nieuwe gegevens opgeleverd over de vroege historie van de bewoning.

'BOOR balans 3' wordt afgesloten met een artikel over de bijna duizend munten en 361 penningen die in het tunneltracé zijn gevonden. Daartoe behoren zeven kleine zilveren munten geslagen in Tiel in de elfde eeuw, het grootste aantal ooit op één vindplaats in Nederland aangetroffen. Deze munten waarvan er in Nederland in totaal maar negentien zijn gevonden, waren waarschijnlijk van belang in het handelsverkeer met Engeland en de landen rond de Oostzee (alleen in Zweden zijn al meer dan 1000 Tielse munten aangetroffen). De vondst van zeven Tielse munten in de grond onder de spoortunnel wordt gezien als een 'krachtige' aanwijzing dat Rotta, gelegen aan de handelsroute tussen Tiel en Vlaardingen, in de elfde eeuw een handelsnederzetting van betekenis was.