BESCHAAFD ETEN (2)

R. Corbey heeft een collega horen zeggen, schrijft hij (W&O, 8 november), dat een filosoof uit Kenia zich gekwetst voelde omdat Elias eten met bestek als een uiting van een toenemende beschaafde zelfbeheersing zou zien. Het is een fabel: Elias zag eten met de handen niet als minder beschaafd.

En de civilisatietheorie ontkent ook nergens dat chimpansees uiterst beheerst en subtiel opereren of dat men in veel kleine 'face-to-face'-gemeenschappen uiterst beheerst en 'beschaafd' met elkaar omgaat. Corbey gooit chimpansees en kleinschalige samenlevingen kennelijk op één hoop uit weerzin tegen de gelijkstelling van 'beschaafd' met 'beter'. Dát beschouwt hij terecht als etnocentrisch en als een voortzetting van negentiende-eeuws vooruitgangsdenken. Ten onrechte meent hij die gelijkstelling ook in de civilisatietheorie te ontwaren en zo komt het dat hij die beschouwt als deel van het probleem, niet van de oplossing, als “articulatie en symptoom” van een (westers) superieur gevoel. Zijn weerzin lijkt zich uit te strekken tot het analyseren van fasen in ontwikkelingen (in de geschiedenis van de mensheid, van samenlevingen en in de levensloop van individuen). Onderzoek daarnaar is echter niet gericht op het afwegen van de nadelen van een voorsprong tegen de voordelen van een achterstand. Wie dat denkt verwisselt de studie van ontwikkelingsfasen met de waardering ervan.

Omdat faseverschillen veelal samenvallen met machtsverschillen, is er - in processen van democratisering en dekolonisering - een taboe komen te rusten op het bespreken van faseverschillen: onwillekeurig wordt dat ervaren als het vaststellen van superioriteit en inferioriteit. Ook Corbey doet dit en zo schuift hij Elias de moraliserende wending in de schoenen waartegen de laatste juist waarschuwt: 'We kunnen steeds opnieuw vaststellen dat mensen die tot groepen behoren die in termen van 'macht' sterker zijn dan andere groepen waarmee ze te maken hebben, van zichzelf denken dat ze in menselijk opzicht 'beter' zijn dan de anderen.' De zelfregulering van mensen in gevestigde posities vormt veelal 'één' van de machtsbronnen op grond waarvan ze mensen in lagere posities kunnen overspelen en overheersen. Aan deze feitelijke constatering is nog geen moreel oordeel verbonden. Het betekent niet dat mensen uit klassen of samenlevingen die in macht superieur zijn aan anderen - en die dat machtsoverwicht ten dele inderdaad ontlenen aan hun onder sociale dwang gevormde patroon van zelfregulering - ook in menselijk opzicht superieur zijn. De telgen uit een geslacht van patriciërs ontlenen doorgaans een deel van hun overgeërfde en verworven macht aan een van huis uit 'meegekregen' dosis sociale vaardigheid en psychische wendbaarheid. Maar het zou dwaas zijn daaruit te concluderen dat hun superieure positie het gevolg is van hun superioriteit als mensensoort. Uit de koloniale geschiedenis blijkt niet alleen dat de mensen uit het Westen wat macht betreft veruit superieur waren, maar ook dat ze als mensen 'niet' superieur waren. In termen van de laatste paar bladzijden van 'Het civilisatieproces' wil dat zeggen dat veel van de 'gedrags- en gevoelsregels' waarnaar kolonisatoren zich richtten, “overblijfselen [waren] van de macht- en statusverlangens van gevestigde groepen, met als enige functie het vergroten van hun machtskansen en hun statussuperioriteit.”