Beleggingsverzekering: een oerwoud aan kosten

Net als de kledingbranche kent ook de financiële advieswereld hypes en modegrillen. Sommige producten verschijnen, vinden een tijdje gretig aftrek, maar zinken na verloop van tijd weer diep weg in de vergetelheid. Herinnert u zich bijvoorbeeld nog iets als mantelobligaties, dollarverzekeringen, zerobonds of offshorefondsen? Waarschijnlijk slechts vaag.

Tegenwoordig is vooral de zogenaamde beleggingsverzekering in trek. Dat is een verzekeringspolis waarvan de ingelegde premies in beleggingsfondsen worden gestoken. Was begin 1995 nog slechts 17 procent van de afgesloten individuele levensverzekeringen van dat type, afgelopen september was dat aandeel opgelopen tot zo'n veertig procent.

Beleggingsverzekeringen vallen op door hun vaak flitsende benaming. Titels als Dynamisch Investeringsplan, Goal Verzekering, Beurs Index Lijfrenteplan, Eigen Effect Plan, Perspectief Rekening, Persoonlijk Vermogen Plan of Mega Plan moeten particulieren overhalen jarenlang forse bedragen te investeren. De aantrekkingskracht van de belegging zit hem in het hoge voorspelde rendement. Van 1981 tot 1995 scoorden aandelen jaarlijks gemiddeld 16 procent. Uitgaande daarvan kunnen verzekeraars fabelachtige voorbeeldkapitalen offreren. Toch zeggen die bedragen weinig, vindt Falco Valkenburg van Actuarieel Bureau Hammer. Mede van zijn hand is het recente rapport 'Marktverkenning beleggingsverzekeringen' waarin 29 beleggingsverzekeringen worden vergeleken.

“Er zijn behoorlijke wat verzekeringen waarvan we de offertes flink naar beneden moesten bijstellen”, zegt hij erover. Diezelfde overschattingen ziet hij vaak in aanbiedingsfolders. “Bij de voorgespiegelde opbrengsten wordt regelmatig geen rekening gehouden met kosten en met premies voor de overlijdensrisicoverzekering”, signaleert hij. “Dat vind ik pure misleiding, want het kan jaarlijks een procent of twee rendement schelen.”

Globaal gezien zijn er twee manieren waarop voorbeeldkapitalen van beleggingsverzekeringen kunnen tegenvallen. Ten eerste kan de opbrengst van de beleggingen teleurstellen. Daarnaast kunnen de kosten van het verzekeringsproduct hoger oplopen dan aanvankelijk voorgespiegeld. Voor wat betreft het eerste, de beleggingsopbrengst, gaan veel verzekeraars uit van het gemiddelde rendement op aandelen over de afgelopen vijftien jaar. “Je kunt je afvragen of dat realistisch is”, relativeert Valkenburg dat vertrekpunt. “De afgelopen vijftien jaren waren schitterend, maar vanaf 1953 zijn er ook even lange periodes geweest waarin obligaties het beter deden. “De consument moet zich volgens Valkenburg ook niet zomaar laten verleiden door de belofte dat een beleggingsproduct de AEX-index verslaat. “Die maatstaf houdt geen rekening met uitgekeerde dividenden en pakt daardoor al snel 2,5 tot 3 procent lager uit”. Rendementen vergelijken, is toch al moeilijk, want fondsbeheerders hanteren verschillende meetperiodes, berekeningsmethodes, aankoopstrategieën en risicomaatstaven.

Ook qua kosten kan de koper van een beleggingsverzekering teleurgesteld raken. Valkenburg: “Van de beleggingsverzekering wordt altijd gezegd dat het een 'open product' is, omdat je volledig inzicht zou hebben in de kosten en opbrengsten, maar in de praktijk valt dat erg tegen”. De kostenstructuur van beleggingsverzekeringen komt doorgaans pas aan bod nadat de verzekering is afgesloten, bij verstrekking van de polisvoorwaarden, tenzij de klant er nadrukkelijk eerder om vraagt. Maar ook na lezing van de voorwaarden blijft vergelijken moeilijk. Verzekeraars hanteren een waar oerwoud aan kostensoorten. Er zijn verkoopkosten, switchkosten, aankoopkosten, eerste kosten, doorlopende kosten, afsluitprovisie, beheerskosten, winstopslag en poliskosten, maar ook afkoopkosten, opslag voor termijnbetaling, verzekeringskosten, administratiekosten, uittreedkosten, performance related fee, kosten voor risicobeheer, premiekosten, stortingskosten, incassokosten, opnamekosten en wijzigingskosten.

Voor de consument zijn niet die namen, maar de totale kosten van belang. Na veel doorvragen en zwaar rekenwerk blijken die volgens het onderzoeksrapport per verzekeraar sterk te verschillen.

Bij een gelijk netto fondsrendement van 7 procent lopen de voorbeeldkapitalen van de onderzochte beleggingsverzekeringen uiteen van 589.146 tot 890.623 gulden (voor een dertigjarige man die 25 jaar lang 11.516 gulden in een polis stopt). En om het nog ingewikkelder te maken: de aanbieder met een hoog voorbeeldkapitaal is niet noodzakelijk voordelig. Een kwart van de onderzochte verzekeraars 'vergeet' namelijk de beheer- en bewaarkosten van de verzekeraar nog van het voorbeeldkapitaal af te halen. Als het fondsrendement daardoor 35 jaar lang netto 6,5 in plaats van 7 procent bedraagt, vermindert het eindkapitaal met maar liefst 11 procent! Daarnaast worden aan het einde van de looptijd soms nog onverwacht verkoop- of afkoopkosten op de poliswaarde in mindering gebracht.

Valkenburg: “Dat is vaak nog eens een half procent over het hele kapitaal”.

Veel consumenten weten het niet, maar juist om dit soort onduidelijkheden te voorkomen, heeft het Verbond van Verzekeraars de gedragscode Rendement & Risico opgesteld. Deze code, die voor veel verzekeraars is ondertekend, omvat ondermeer definities voor begrippen als 'fondsrendement', 'productrendement' en 'voorbeeldkapitaal'. Daarnaast zijn er richtlijnen voor offertes.

Waarom er dan toch zoveel onduidelijkheden zijn? “Verzekeraars begrijpen blijkbaar onvoldoende wat de code inhoudt, omdat meerdere interpretaties mogelijk zijn”, vermoedt Valkenburg, “of ze houden zich er gewoon niet aan”. In de Verenigde Staten, Zwitserland en Engeland zijn de richtlijnen voor beleggingsverzekeringen strikter.

    • Erica Verdegaal