Bankieren naar vermogen

Hoeveel eigen vermogen moet een bank aanhouden tegenover zijn uitstaande leningen? Meer dan nu, denkt de Westerse financiële sector als die de blik op Azië richt. Minder dan nu, denkt de Westerse financiële sector na enig zelfonderzoek.

Aziatische banken zijn op dit moment ondergekapitaliseerd: zij houden te weinig eigen vermogen aan ten opzichte van hun uitstaande leningen, of worden daar door de buitenwereld in ieder geval sterk van verdacht. Van Bangkok tot Tokio hebben de plaatselijke banken het moeilijk. Ze zuchten onder slechte leningen die zijn aangegaan in een periode waarin de lokale economie als een zeepbel werd opgeblazen. In Thailand is die zeepbel van recente datum, in Japan is hij al een jaar of acht oud. In vrijwel alle gevallen zijn roekeloos leningen verstrekt aan de onroerend-goedsector, waar de zeepbel het verst was opgeblazen. In sommige landen hebben banken geleend aan wankele bedrijven, hetzij omdat ze daar door de overheid toe werden gedwongen, hetzij omdat de bank zelf deel uitmaakte van een politiek-financieel complex waarbij regeren en verrijken niet ver uit elkaar lagen.

In het Westen gaat de discussie intussen geheel de andere kant op. Steeds geavanceerder boekhoudkundige technieken nopen de banken er toe aan te dringen op een herziening van de berekening van hun solvabiliteit. De huidige berekening die is geformuleerd door het Bazelse Comité - een lichaam dat nauw verband houdt met de Bank voor Internationale Betalingen (BIB) - vinden ze te rigide. Terwijl hun Aziatische concurrenten juist moeten worden opgelapt, kunnen Westerse banken misschien wel toe met minder kapitaal dan nu het geval is.

De vorige slag die de banken en de BIB leverden ging over 'marktrisico's'. Dat zijn risico's die banken lopen bij hun activiteit op de financiële markten. Banken houden portefeuilles aan met aandelen, valuta's en obligaties. Daarin zit niet alleen een 'voorraad' waaruit zij snel kunnen leveren. De portefeuille bevat ook valuta's en effecten die de bank voor eigen rekening op het spel zet om daar winst mee te maken. Banken waren gaandeweg steeds meer gaan inzetten. En de opkomst van financiële derivaten (opties, termijncontracten en ruilcontracten) maakte de risico's die zij liepen steeds onoverzichtelijker. Staat de bank nog overeind als de dollar op één dag met vijf procent daalt?

Na aanvankelijke voorstellen voor een vaste berekening van het vermogen dat banken tegenover hun handels- en derivatenposities moesten hebben staan, werd uiteindelijk in samenspraak met de BIB gekozen voor een flexibele oplossing: elke bank mag een eigen systeem voeren voor het berekenen van zijn marktrisico's en het aan te houden eigen vermogen.

Zolang dat systeem wel door de toezichthouders is goedgekeurd. Ook de Europese Unie is op dit gebied vrijwel overstag en staat op het punt een oude richtlijn aan te passen.

Kredietrisico's gaan over het traditionele bankbedrijf. Zij weerspiegelen de kans dat een lening niet of onvolledig wordt terugbetaald, en worden nog op een vaste manier berekend. De BIB stelt sinds 1988 een solvabiliteitseis, waarbij geldt dat het eigen vermogen acht procent moeten zijn van de “naar risicograad gewogen uitzettingen (leningen)”. Die weging kan variëren van nul procent voor leningen aan een kredietwaardige Westerse overheid, tot 100 procent voor zakelijk onroerend goed.

Deze verplichte dekkingsgraad wordt al naar beneden bijgesteld: de EU staat op het punt om bijvoorbeeld de dekking voor zakelijk onroerend goed te verlagen tot 50 procent.

Toch vinden de banken dat niet genoeg. Het Institute for International Finance, een groep van 282 banken uit 56 landen, drong er deze week op aan om banken, net als bij marktrisico's, een eigen systeem in te laten voeren voor het berekenen van kredietrisico's.

Het voorstel snijdt hout: voor leningen aan bedrijven is nu een uniforme berekening van het vereiste vermogen van kracht. Maar Wolters Kluwer is toch een heel ander bedrijf dan de eerste de beste handelsfirma in Kuala Lumpur. De sector zelf werkt al hard aan modellen. J.P. Morgan, die al eerder een risicomodel introduceerde voor marktrisico's, introduceerde begin dit jaar een soortgelijk model voor kredietrisico's.

Een dergelijke methodiek is echter ingewikkeld. Marktrisico's zijn te berekenen op basis van de getoonde beweeglijkheid van een aandeel, munt of obligatie. Hoe groter die beweeglijkheid - hoe groter mogelijke uitslagen naar boven of beneden van de koers - en hoe hoger het risico.

Een debiteur laat zich moeilijker in een standaardmodel vangen. Overeenstemming tussen de centrale bankiers van het Bazelse Comité en de banksector over de details van een risico-model zal nog wel even op zich laten wachten.

Als het zo ver is, wacht een tweede slag. Er zijn kleine banken, bijvoorbeeld in Duitsland, die niet de omvang hebben om zo'n systeem te kunnen voeren. Voor hen blijft een eenvoudige, maar rigide berekening van kredietrisico's ook nodig. De grote banken zouden op hun beurt niet voor een nieuw systeem pleiten als zij niet zouden vermoeden dat zij daarmee minder vermogen hoeven aan te houden. Bij minder vermogen ten opzichte van hun uitstaande leningen vergroten zij de hefboom op hun vermogen, waardoor hun rendement (winst als percentage van het eigen vermogen) oploopt.

Hoewel het nog geruime tijd kan duren voordat een eigen kredietrisicomodel mag worden ingevoerd, kan het vooruitzicht op die gebeurtenis nu al ingrijpende gevolgen hebben voor de Westerse banksector. De concentratiegolf in Europa en de VS, waarbij kleinere banken samengaan of worden opgeslokt door de grotere, zal er alleen maar verder door versnellen.

    • Maarten Schinkel