Aziaten blijven zwijgzaam over hun bedoelingen

Over de dreiging van China's steeds omvangrijker strijdkrachten wordt al jaren gediscussieerd. En steeds is de conclusie dat het inperken ervan ondoenlijk is. De vandaag begonnen topconferentie in Vancouver zal daar weinig aan veranderen, meent Jonathan Eyal.

Dit weekeinde komen de lidstaten van de organisatie voor economische samenwerking in Azië en het gebied van de Stille Oceaan APEC in het Canadese Vancouver bijeen voor een topconferentie. De organisatie verenigt als de enige alle Zuidoost-Aziatische landen en voorts China, de VS, Australië en Canada, en is daarmee een veelbelovende instelling. Toch staat al wel haast vast dat de topconferentie beter in staat zal zijn ernstige regionale kwesties uit de weg te gaan dan ze op te lossen. Natuurlijk staat de economische crisis die tal van Aziatische landen in haar greep houdt bovenaan de agenda. Maar het debat zelf is volstrekt voorspelbaar.

Niettemin zullen sommige Aziatische leiders betogen dat de oplossing van het probleem in het reguleren van de financiële markten ligt, terwijl de VS, Australië, Canada en mogelijk Japan zich tegen elke stap in die richting zullen verzetten. De Amerikanen zulen op hun beurt een aantal mensenrechtenkwesties willen aanroeren, maar nul op het rekest krijgen bij de meeste Aziatische landen. Ten slotte zal de Australische premier ongetwijfeld beginnen over de zorgen van zijn land over de milieuvervuiling, zonder de hoop enige positieve reactie uit te lokken.

De belangrijkste veiligheidskwestie in het huidige Azië is echter China, de ontwakende economische en politieke reus. Westerse inlichtingendiensten houden zich steeds intensiever bezig met de ontwikkelingen hier en de toekomst van het land. En hoewel nog geen besluiten zijn genomen, wordt de indruk steeds sterker dat er de komende tien jaar een aantal knopen zal moeten worden doorgehakt. Maar althans op dat punt zal de APEC-conferentie een eendrachtig en diep stilzwijgen bewaren.

Het officiële standpunt van alle lidstaten, zowel in als buiten Azië, is dat China met liefde overspoeld moet worden: betere handelscontacten en opneming in multilaterale instellingen bevorderen een welvarender en opener samenleving en de eerbiediging van de rechtsstaat. Binnenskamers gelooft echter niemand echt in deze redenering: de eigenlijke scheidslijn loopt tussen landen die zich willen voorbereiden op een dreigender houding van China in de nabije toekomst, en landen die betogen dat nu juist die voorbereiding de nog slapende Chinese reus zal doen ontwaken.

Op papier lijkt er geen urgente noodzaak tot het uitwerken van een nieuw beleid. China's jaarlijkse economische groei mag dan in de dubbele cijfers lopen, het land heeft nog een lange weg te gaan voordat het een rechtstreekse bedreiging van zijn buren kan worden. Het mist nog de voor dat doel nodige technologie, en het kampt met gigantische economische en maatschappelijke problemen binnenslands. Hoewel niet veel sinologen de mogelijkheid serieus nemen dat de Chinese gecentraliseerde staat ineen zal storten, zijn er nogal wat westerse inlichtingendiensten die de komende jaren grote sociale opschudding in China voorzien.

Een kwestie die wel onmiddellijke zorgen baart, wordt gevormd door Taiwan en de mogelijkheid dat de Chinezen zich gedwongen zullen zien deze eilandstaat met geweld in te nemen. Al blijft het een feit dat, ondanks alle grote woorden vanuit Peking, de Chinezen vermoedelijk nog niet in staat zijn Taiwan te veroveren. En daarin zal voor het eind van de eeuw ook geen verandering komen.

De Chinezen verkondigen - de afgelopen maand althans - bovendien de boodschap van de samenwerking. In hoog tempo heeft de Chinese president Jiang Zemin een rondreis gemaakt door de Verenigde Staten, de Russische president Jeltsin ontmoet en de Japanse premier ontvangen. En voor een tot dusver gereserveerde communistisch-Chinese leider bracht Zemin het er opmerkelijk goed af: op Hawaï speelde hij gitaar, elders in de VS zette hij malle hoeden op, in Siberië heeft hij gevist en uiteraard heeft hij president Jeltsin op beide wangen gekust. Telkens weer gaf hij duidelijk te kennen dat China bereid is met zijn buren tot compromissen te komen.

De realiteit is echter geheel anders. China plaatst Azië dezer dagen voor een probleem dat wel wat lijkt op het probleem dat Europa rond de eeuwwisseling met Duitsland had. Het is een gigantisch land dat altijd al zijn buurlanden zal blijven overvleugelen, met een reusachtig militair apparaat en een autoritaire regering, zonder hechte democratische tradities. Het heeft ook een diep wortelend besef van aangedaan onrecht, dat het gezworen heeft te zullen wreken, en grensgeschillen met vrijwel al zijn naaste buren. Europa heeft Duitsland uiteindelijk weten te integreren, maar pas nadat het daar het regiem had vernietigd en het Duitse publiek ervan had doordrongen dat met geweld niets te bereiken zou zijn.

Azië verbeeldt zich graag dat het bij China hetzelfde zou kunnen bereiken, maar dan zonder confrontatie met de Chinezen. Voorlopig lijkt dat een nastrevenswaardige droom, zolang men zich bewust blijft van de voetangels en klemmen. De Chinezen hebben nu eenmaal het rotsvaste voornemen hun economische macht in politieke invloed om te zetten. De vraag is alleen hoe snel dat streven zal worden gerealiseerd.

Over de mogelijkheid China's steeds omvangrijker strijdkrachten in bedwang te houden wordt al jaren gediscussieerd door de meeste westerse inlichtingendiensten. Maar steeds weer luidt de conclusie dat dit ondoenlijk en gevaarlijk is - in elk geval ondoenlijk zonder de medewerking van ten minste de VS, Japan, Rusland en Korea. Maar elk van deze staten heeft zijn eigen belangen en verlangens in de regio, eigen prioriteiten en een eigen verhouding met de Chinezen. Peking maakt daar maar al te graag gebruik van. Hoewel de Koreanen China wantrouwen, hebben ze de Chinezen nodig om de tweedeling van hun schiereiland ongedaan te maken, en Japan wantrouwen ze al evenzeer. De Japanners zullen op hun beurt niets ondernemen zonder de VS. Amerika moet rekening houden met zowel de invloed die China nog altijd heeft op het wankelende Noord-Koreaanse regime, als met de mogelijkheid dat China meer aansluiting bij Rusland zal zoeken teneinde omsingeling te voorkomen. En al zullen de Russen zich gaarne tegenover China alliëren met de VS en andere regionale mogendheden, toch komt Moskou in de verleiding zijn Chinese kaart tegen het westen uit te spelen.

Daar komt dan nog eens bij dat de landen van de ASEAN alle hun eigen, tegenstrijdige belangen tegenover de Chinezen hebben. Vietnam, Singapore, Indonesië en de Filippijnen zijn meer geïnteresseerd in de ontwikkelingen in Zuid-China, terwijl de Koreanen en Russen zich meer met Noord-China bezighouden.

Een beleid gericht op het in bedwang houden van China met een mengeling van militaire en politieke middelen zal er waarschijnlijk dus niet komen. Zelfs als de VS ervan overtuigd waren dat er zo'n beleid nodig is (en dat zijn ze niet), dan nog zou Washington geen van zijn andere bondgenoten of partners mee kunnen krijgen. Veel van de discussies over dit onderwerp beperken zich tot vergelijkingen met de periode van de koude oorlog.

Hoewel de Chinezen nooit zo volkomen omsingeld kunnen worden als de Sovjet-Unie was, zijn er tal van andere manieren mogelijk om het Chinese gedrag te beknotten, die welicht even duurzaam zullen zijn. En in die richting beweegt zich thans het beleidsoverleg in de regio. President Clinton moet in zijn beleid tegenover China uiterst voorzichtig manoeuvreren tussen het Congres, dat meer aandacht wil voor de Chinese schending van de mensenrechten, en de commerciële belangen, die bij handel zonder beperkingen gebaat zijn. Het gevolg is een Amerikaans beleid dat streeft naar samenwerking met China, maar dat tegelijkertijd grenzen aan die samenwerking stelt.

De benoeming van een speciale Amerikaanse vertegenwoordiger die de situatie in Tibet in de gaten moet houden, is een klassiek voorbeeld van dit 'één stap vooruit, één stap achteruit'-beleid. De bedoeling is China alle gelegenheid tot samenwerking te bieden en daarbij iedere suggestie dat het land omsingeld raakt te voorkomen. Maar tegelijkertijd wil men een veiligheidsstelsel invoeren waarbinnen China een steeds hogere prijs zal moeten betalen voor elke vorm van wangedrag. Het veiligheidsverdrag tussen Japan en de VS is onlangs met dit doel voor ogen herzien. Ook het Amerikaanse optreden vorig jaar waarbij vliegdekschepen naar Taiwan werden gestuurd maakte deel uit van dit beleid, net als de Britse pogingen om samen met de VS en Australië bij te dragen aan de totstandkoming van een hechter gestructureerd militair bondgenootschap in het Stille-Oceaangebied.

Men wil een netwerk van staten in het leven roepen die beloven elkaar tegen iedere vijand te verdedigen, maar zich niet vastleggen op een actief anti-Chinees beleid. Voor het eerste sinds vele jaren bestaat in Azië de indruk dat een compromis kan worden bereikt over een beleid ten aanzien van China. Nieuw is dat de Zuidoost-Aziaten, die de Europeanen en Amerikanen voorheen graag mochten sarren, er nu naar streven bij hun regio betrokken te blijven. Maar niemand moet verwachten dat ook maar één van deze kwesties dit weekeinde aan de orde wordt gesteld. Als het op lange-termijnbeleid aankomt, geven de Aziaten nog altijd de voorkeur aan zwijgen boven openhartigheid.

    • Jonathan Eyal