Arie Kuiper schreef de biografie van Abel Herzberg; 'Als God bestaat, weet hij zijn liefde verdomd goed te verbergen'

'Altijd weer hoorde hij die innerlijke stem: Het is niet zo. Leven met vragen was zijn modus vivendi.' Arie Kuiper wijdde een biografie aan Abel J. Herzberg, zionist, kamp- slachtoffer, literator, dwarsligger. Gesprek over 'een nationale erejood' die in eigen kring niet geliefd was. 'Door te zeggen: We mogen niet kwaad zijn, pakte hij de joden hun woede af.'

Schaamrood schemert op zijn kaken. Maar Arie Kuiper geeft het ruiterlijk toe: hij was al volwassen (“Een jaar of vijfentwintig zelfs”) toen hij, praktiserend katholiek, nog zijn handen vouwde voor de bekering van dolenden als Abel Herzberg. “Op Goede Vrijdag ging ik bidden: pro perfidis Judaeïs, voor de trouweloze joden. Tot eind jaren vijftig heb ik daar aan meegedaan.” Precies in die periode publiceerde Herzberg in het weekblad De Bazuin een beschaafde tirade tegen de 'arrogante' christelijke zendingsdrang. 'Hoe schoon een gebed voor bekering ook is', schreef Herzberg, 'schoner lijkt mij een gebed dat ieder moge zijn wat hij, in de zuiverheid van zijn hart, meent te moeten zijn.'

“Ik ben anti-judaïstisch opgevoed”, zegt Kuiper. “Maar antisemitisme heb ik bij ons thuis nooit bespeurd. Natuurlijk wisten we wat de Osservatore Romano in 1939 had verkondigd: 'In al het kwaad dat over de joden komt, moet de christenheid de hand Gods herkennen die het joodse volk tuchtigt omdat het de Godsmoord heeft bedreven.' Maar dat ging mijn vader en moeder veel te ver.”

Sommige critici zullen zeggen: Kuiper is een schuldbewuste paap die vijf jaar door de archieven heeft geploegd om een jood op een voetstuk te plaatsen en zich zo te bevrijden van zijn complex.

“Ik ben door Huub Oosterhuis, priester-schrijver en goede vriend van Herzberg, gevraagd om dit boek te maken. Als Midden-Oosten-fanaat kon ik onmogelijk nee zeggen. Bovendien kwam het prima uit: ik was net gestopt als hoofdredacteur van het weekblad De Tijd.

“En dat schuldcomplex... Toen ik Joop van Tijn een paar jaar geleden vertelde dat ik met dit project bezig was, zei hij: 'Een roomse jongen die zich op Herzberg stort, is dat wel kosher?' Ik antwoordde dat hij er verstandig aan deed te wachten met zijn oordeel tot hij het resultaat van mijn werk in handen had. Helaas heeft-ie dat niet meer mogen meemaken. Ik ben ervan overtuigd dat Joop - net als ieder ander die dezelfde verdenking koestert - na lezing opgelucht zou hebben gereageerd. Als ik met dit boek al iets wil goedmaken, dan is dat onbewust.”

Abel Herzberg was geen man die mensen bij voorbaat wantrouwde. Sterker, nadat de misdaad was begaan, probeerde hij de schuldige te begrijpen. Uit Kuipers biografie Een wijze kwam voorbij rijst hij op als een kampslachtoffer dat erin slaagde zich niet over te geven aan haatgevoelens. Ook toen Herzberg in Bergen-Belsen werd gemaltraiteerd, poogde hij in te zien waarom SS'ers zich gedroegen zoals zij zich gedroegen: alleen begrip voor schoften draagt bij aan oplossingen. In de woorden van Herzberg zelf: “Je bent pas een antinazi als je niet meer verontwaardigd bent.”

Toch wordt op de 724 pagina's geen pilaarheilige geschetst. Herzberg blijkt even straatvechterig als wijs, even inconsequent als rechtlijnig. Tegen de storm in spuwen was 'zijn lust en zijn leven', schrijft Kuiper. Als advocaat verdedigde hij Abraham Asscher en David Cohen, de van collaboratie beschuldigde voorzitters van de Joodsche Raad in de Tweede Wereldoorlog ('Het ging hun erom het leven van de joden zo draaglijk mogelijk te maken zolang ze hier nog waren'). Hij vroeg om vrijlating van de Drie, later de Twee van Breda ('Persoonlijk heb ik geen enkele behoefte aan vergelding'). Hij sprak zich uit tegen de 'wrede lynchpartij' waaraan CDA-voorman Aantjes werd blootgesteld ('Bestaat er helemaal geen begrip meer voor jeugdig dwalen, geen genade of vergeving?'). En hij pleitte voor gratiëring van de ter dood veroordeelde oorlogsmisdadiger Adolf Eichmann (“Gerechtigheid is in de mond van de mensen niet veel meer dan een excuus voor wraak”).

Tegelijkertijd toonde Herzberg zich vaak innerlijk gespleten. Ondanks zijn voortdurende gehamer op rechtvaardigheid, maakte hij zich in zijn hoedanigheid van jurist schuldig aan 'dubieuze praktijken'; in opdracht van bijvoorbeeld Heineken stelde hij knevelcontracten op. Ondanks het feit dat hij de P.C. Hooftprijs kreeg, vond hij zijn literaire werk 'geouwehoer' en meende hij met De Nieuwe Drankwet zijn 'enige nuttige' werk te hebben geschreven. Ondanks zijn oproepen aan joden om onder te duiken tussen '40 en '45 ('Smeer hem') wachtte hij passief tot hij werd opgepakt. Ondanks zijn hartstochtelijke zionisme ('Israel, dat ben ik') emigreerde hij nimmer richting Tel Aviv. Ondanks zijn pretentie de belichaming van het jodendom in Nederland te zijn ('Iemand heeft tegen me gezegd: ú hebt het gelaat van het jodendom getoond. Dat is misschien wel waar.') was hij op den duur een buitenstaander in eigen kring.

Ondanks zijn pleidooien voor vreedzaamheid was 'de wijze', 'de rabbijnachtige' en 'de profeet' volgens Kuiper ook een 'ijdeltuit' en een 'gepatenteerde ruziemaker'. En zelfs dat zou hij hebben bestreden, onderstreept de biograaf ironisch. “Hij vond zichzelf absoluut geen ruziemaker. Het probleem was gewoon: hij had altijd gelijk, en daar konden de mensen niet tegen. Als hoofdredacteur kwam ik vaak bij hem over de vloer - hij woonde zo'n beetje tegenover de Tijd-redactie. Dat waren indrukwekkende sessies. Ik hou van die man, hoor, al tientallen jaren, maar hij had het wel erg goed met zichzelf getroffen.”

De zionistische Einzelgänger Herzberg meende dat assimilatie van joden in Nederland onmogelijk was. Hoe kwam hij tot die overtuiging?

“Zijn ouders waren gevlucht uit Rusland vanwege de pogroms onder de tsaren. Als achttienjarige bezocht hij zijn grootvader in Litouwen. Daar zag hij met eigen ogen het antisemitisme. Hij wist: hoe anders het in Nederland ook is, vroeg of laat begint ook hier de jodenjacht weer. Later kwam daar het besef bij dat de joodse identiteit door assimilatie naar de knoppen zou gaan, en dat vond hij zonde. Maar op het moment dat zijn dochter Judith trouwde met een goj protesteerde hij niet. Individuele vrijheid ging hem toch boven alles. Hij was razend na het besluit van de Nederlandse Zionistenbond van 1915 om joden te royeren die trouwden met niet-joden.”

Een van de grootste raadsels uit zijn leven is dat hij - nota bene van 1934 tot 1939 voorzitter van de Nederlandse Zionistenbond - nooit in Israel is gaan wonen. Kon hij dat zelf verklaren?

“Nee. Die inconsequentie heeft hij niet kunnen wegredeneren. Hij zei altijd dat het 'onzedelijk' was om als jood niet naar Palestina te gaan, maar bleef ondertussen rustig zitten waar hij zat. Tsja, hier was hij iemand, zijn boeken werden de hemel ingeprezen, koning Juliana ontving hem. In Israel had hij helemaal opnieuw moeten beginnen. Zijn zoon Ab, die na de oorlog wél afreisde, nam hem dat nogal kwalijk.”

Herzberg lijkt nooit een Hollander te zijn geworden.

“Hij was een levende paradox: volledig geassimileerd, maar honderd procent joods denkend. Wat ik verbijsterend vond, was dat hij in 1953 zo laconiek reageerde op de watersnood. Een nationale ramp, 1.800 doden, en dat dan een beetje gaan zitten bagatelliseren! Hij was niet de enige jood die zo dacht: over de 80.000 Nederlandse joden die door de nazi's waren verdelgd werd nauwelijks gepraat, en dan zoveel heisa om 1.800 doden.”

De holocaust bleef voor Herzberg de maatstaf aller dingen. Hij redeneerde er in bijna metafysische termen over.

“De jodenvervolging was in zijn ogen de strijd tussen het geloof in de God van de Tien Geboden en het à la Hitler cultiveren van een heidense geest, het recht van de sterkste. In feite het ultieme gevecht tussen het goede en het kwade. Tot dat inzicht kwam hij al zes jaar voor de oorlog - lees zijn artikel Tussen kruis en hakenkruis. De joden hadden als uitvinders van het monotheïsme, als grondleggers van de christelijke en daarmee van de Europese beschaving, de Germaanse mens gekneveld. De heiden was gekerstend, maar wenste dat helemaal niet. Hij rukt aan zijn ketting, wil naar bed met de vrouw van zijn buurman, wil stelen en moorden. 'Wij zijn barbaren', zei Hitler. 'Wij willen het zijn. Het is een eretitel.' Herzberg concludeerde dat de joden in de ogen van de Führer eigenlijk het menselijk geweten waren en dús moesten worden uitgeroeid.”

Historici als De Jong, Presser en Sijes meenden dat de shoah voortvloeide uit culturele en sociaal-economische ontwikkelingen. Zaten zij er naast?

“Ik denk dat Herzberg gelijk had. Hij zag het eerder, dieper en dus beter. Hij is zijn hele leven blijven vasthouden aan het idee dat de 'geketende christen' zoekt naar wraak op degene die hem in deze positie heeft gebracht - de jood. In Bergen-Belsen, waar hij de vernietiging om zich heen zag, heeft hij dat tijdens zijn 'langgerekte vakantie in het buitenland' allemaal nog eens opgeschreven. Met een heel klein stompje potlood. Dat geschrift werd later het boek Tweestromenland: het jodendom en het nationaal-socialisme zijn onverenigbare stromen, één van de twee zal moeten verdwijnen.”

Met zijn opvatting dat de jood fungeert als 'knellend geweten' van de christen, dicht Herzberg zijn volk de hoogste morele standaard toe.

“Je kunt zeggen dat Herzberg via een omweg toch weer de theorie van het uitverkoren volk heeft geïntroduceerd. Niettemin beschouwde hij de joden als net zulke grote etters als de rest van de mensheid. Herzberg weigerde te geloven dat God de joden heeft uitgekozen, maar meende wel dat de joden het idee van één God, één rechtvaardigheid hebben geformuleerd. Dat vond hij een superieure bijdrage aan de Westerse moraliteit. Geen enkel volk deugt, stelde Herzberg, maar de grootheid van het joodse volk is dat het wéét dat het niet deugt.”

In Hitler's Willing Executioners wijt Daniel Goldhagen de genocide op de joden aan de structurele moordzucht van 'de Duitser'. Wat zou Herzbergs reactie zijn geweest?

“Herzberg zou het volstrekte flauwekul hebben gevonden. Hoe anti-Duits hij ook uit de hoek kon komen. Toen hij na de oorlog voor het eerst naar Duitsland reisde, nam hij opzettelijk de nachttrein. Dan hoefde hij het land niet te zien. Maar door eenvoudigweg je ogen te sluiten en te zeggen 'rotduitsers, moordenaars' dring je niet door tot de kern van het probleem. Dat besefte hij zelf ook.

“Kijk, het tweede hoofdthema in het oeuvre van Herzberg is het willen begrijpen wat de drijfveer van mensen is. Hij achtte het menselijk tekort niet exclusief Duits. Tijdens een van zijn lezingen na de Tweede Wereldoorlog stond een vrouw op met de vraag: 'Hoe kunnen we voorkomen dat onze kinderen opnieuw slachtoffer worden?' Hij antwoordde: 'Dat is niet het probleem. Het probleem is hoe te voorkomen dat onze kinderen beulen worden.' Geniaal. Ik denk dat Herzberg ons er terecht op heeft gewezen dat we in onze eigen ziel moeten kruipen. Adolf Eichmann, dat zijn wij. Herzberg zei: 'Eichmann is een mens en, naar ik ernstig vrees, nog een gewoon mens ook. Hij woont overal in de wereld te midden van ons. Hij is een soortgenoot'.”

Herzberg eiste van mensen dat ze zich bijna bovenmenselijk mild opstelden. Kon hij die houding in de praktijk zelf opbrengen?

“Neem de oorlogsmisdadigers die in Breda vastzaten. Jaar in, jaar uit betoogde hij gepassioneerd dat die op vrije voeten moesten worden gesteld: wraak moet zoet zijn, niet bitter. Maar het vreemde was: toen Aus der Fünten en Fischer in 1989 eindelijk uit de cel kwamen, zat Herzberg in zak en as. 'Ik heb makkelijk praten', zei hij. 'Mijn vrouw en kinderen leven nog. Maar als je je hele familie bent kwijtgeraakt, dan vind je het toch verschrikkelijk dat die lui zijn vrijgelaten?'. Typerend voor hem, die eeuwige botsing tussen ratio en emotie. Tussen de ene overweging en de andere. Altijd woedde er een tweespraak in hem. Op ieder argument volgde een tegenargument. 'Het is niet zo' - hij vond dat die spreuk op alle universiteiten en openbare gebouwen moest staan.

“Een minstens even belangrijk uitgangspunt voor Herzberg was dat je nooit over iemand moet oordelen als je niet in zijn schoenen hebt gestaan. Dáárom verdedigde hij Asscher en Cohen van de Joodsche Raad. Twee brave huisvaders, redeneerde Herzberg, die plotseling door het vliegwiel van de geschiedenis naar een situatie worden gelanceerd waarin ze concessie na concessie moesten doen om erger te voorkomen. Het zal je maar gebeuren. Tijdens de oorlog deed de grap de ronde dat Asscher en Cohen alle 'sinaasappeljoden' hadden laten afvoeren om de elite te sparen, en dat alleen de heren zelf op een gegeven moment nog over waren. Asscher tegen Cohen: 'Ga jij nou maar naar Westerbork om erger te voorkomen'. Goeie grap, maar vooral vreselijk.”

Toch geldt ook hier weer dat Herzberg feitelijk niet kon leven naar zijn hoge ethische maatstaven. Omschreef hij Asscher niet in een brief aan zijn vrouw Thea als 'een grot vol diarree'? En: 'Jammer dat hij niet dood is gegaan.'

“Okee, maar dat is weer die eeuwige discussie in zijn hoofd. Hij vond het een labbekakker, niet geschikt voor zijn taak, máár: 'Doe de man geen onrecht aan'.”

Herzberg viel zichzelf voortdurend lastig met zichzelf. Maar ook zijn joodse medeburgers ervoeren hem als een 'pain in the ass'. Waarom wekte zijn 'verstandige' houding zoveel woede in de joodse gemeenschap?

“Door te zeggen: 'We mogen niet kwaad zijn', pakte hij de joden hun woede af. Na alles wat zij hadden meegemaakt was dat het ergste wat iemand hun kon aandoen. Ik snap dat wel. Juist omdat hij de gruwelen van de holocaust had ondergaan, kwam zijn rationele benadering hard aan. Niemand kon zeggen: 'Ach, Abel weet niet waar hij over praat'.”

Veel mensen zagen Herzberg als een onsympathiek mens: kil, egocentrisch, autoritair. Een kennis schreef dat hij 'een gebrek aan wederkerigheid in het vriendschappelijk verkeer' demonstreerde. Hoe valt dat te rijmen met zijn belijdenis dat de naastenliefde boven alles gaat?

“Nou, Herzbergs relatie met zijn vrouw, kinderen en kleinkinderen was heel liefdevol. Een kleinzoon heeft me prachtige verhalen verteld over de warmte van zijn grootvader. Maar in grotere kring was hij inderdaad koel en afstandelijk, en ook hoogmoedig. Toen hij op zijn oude dag steeds dover werd, zei hij tegen een familielid: 'Het voordeel is dat ik nu niet meer naar al die onzin van andere mensen hoef te luisteren'.”

Meestal is zoiets een binnenstebuiten gekeerd teken van grote twijfel.

“Ook in dit geval. Zijn dochter Judith, de dichteres en toneelauteur, denkt dat hij schreef om zijn onzekerheid te bezweren. Herzberg is met enorme angsten uit Bergen-Belsen teruggekeerd. Hij koesterde een sterk verlangen om te geloven in die ene God, die ene rechtvaardigheid. Maar het lukte hem niet. Altijd weer hoorde hij die innerlijke stem: 'Het is niet zo'. Leven met vragen was zijn modus vivendi.”

Welk godsbeeld had hij dan uiteindelijk?

“Daar heeft hij zich nooit over uitgesproken. Het kwam dichtbij 'Ik ben een ongelovige die weet dat god bestaat'. Hij zei: 'Ik ben niet vroom, zeker niet in de zin dat ik geloof aan een persoonlijke god die voor alle tijden en alle mensen over hun geluk of ongeluk beschikt.' Herzberg gebruikte wel veel religieuze metaforen, maar hij dacht dat het geloof in god uiteindelijk berust in de mens. Het is niet god die je redt, maar je geloof in god.”

Hij was dus humanist?

“Hij was veel meer humanist dan gelovige. Ja, dat had ik eigenlijk wel aan het boek kunnen toevoegen.”

Herkent de katholieke biograaf Arie Kuiper het verlangen om te geloven en het onvermogen daartoe van zijn onderwerp, de jood Herzberg?

“Wij zijn beiden opgegroeid in een instituut vol zekerheden. Alle vragen waren bij voorbaat beantwoord, twijfelen was niet toegestaan. Ik herken in Herzberg het losgroeien daaruit. Inmiddels zijn mijn zekerheden gaan wankelen.”

Bent nu ook 'veel meer humanist dan gelovige'?

“Nee, ik denk dat ik nog steeds voor een paar procent in een persoonlijke god geloof. Alles pleit ertegen, dat weet ik wel. Als er een god is, dan weet hij zijn liefde voor de mensen verdomd goed te verbergen. Toch sluit ik niet uit - er zijn zelfs dagen dat ik er zeker van ben - dat er een scheppende liefde is die alles ten goede zal doen keren. Daar kom ik niet af. En eh, en daar wíl ik ook niet af.”

Zit die paar procent die u scheidt van Herzberg in het gegeven dat hij in een Durchgangslager heeft gezeten en u niet?

“Misschien. Voor zover Herzberg als volwassene nog geloofde, is daar in Bergen-Belsen een hardhandig einde aan gemaakt. Zoals zovelen vond hij dat een god die zo'n poel van ellende toestaat, niet kan bestaan.”

Er zijn wel méér dromen van Abel Herzberg stukgevallen. Het 'nationale tehuis voor joden' waar hij zo lang voor pleitte, kwam er. Maar al bij zijn eerste bezoek aan Palestina in 1948 noemde hij het land 'stijlloos, bekrompen en lelijk, een vuilnisbelt waar men een paar zakken joden op heeft uitgestort'. Premier Begin betitelde hij later als 'een oorlogsmisdadiger' en 'een platte fascist'. Was hij op den duur een ontgoocheld zionist?

“Het feit dat Israel een reëel existerende natie was, bleef voor hem een bron van vreugde: 'Zonder Israel is iedere jood een ongedekte cheque'. Maar hij leed er ook aan. Dat die staat derailleerde, weinig deed om het conflict met de Arabieren op te lossen, heeft hem diep bedroefd. In de verwachting dat Israel als morele gids voor de wereld zou optreden en de hoogste idealen van het joodse volk zou uitdragen, is hij zwaar teleurgesteld.”

Naar buiten toe zei hij echter dat men geen bijzondere dingen van Israel mocht verwachten. “Waarom moeten de joden een soort van ideale of vergeestelijkte natie vormen, is het niet genoeg als zij gewone stervelingen worden?”

“Hij heeft zijn redenering dus aangepast aan de feiten.”

Ook zijn nazaten lijden aan Israel. De militaire operatie van '78 bij de Litani in Libanon kostte een kleinzoon het leven.

“Het was Jehoshua, de zoon van Abels dochter Esther. Vijf jaar later liep haar echtgenoot naar het graf om zich ter plekke een kogel door het hoofd te schieten. Ik heb in Israel de dochter van Esther bezocht; zij heeft nu ook een zoon die in Libanon vecht. 'Ik doe geen oog dicht', zei ze. 'Ieder moment verwacht ik zo'n militaire auto.' Dát Israel heeft Herzberg vreselijk verbitterd.”

Na lezing van Een wijze kwam voorbij blijft Herzberg als karakter toch enigszins schimmig. Waarom hebt u hem niet psychologisch geduid?

“Dat heb ik bewust niet gedaan. Ik vind dat de feiten voor zichzelf moeten spreken, ik ga niet zeggen: denk erom, zo en zo zat Herzberg in elkaar. Eerlijk gezegd heb ik een hekel aan gepsychologiseer. Ik voel me op dat terrein ook niet competent genoeg.”

Aan het eind van zijn leven beschreef Herzberg zichzelf als een 'oude man die alle wijsheid (...) ten spijt beheerst wordt door het gevoel van zijn mislukking'. Onterecht zelfbeklag?

“Als jongen wilde Herzberg de wereld verbeteren. Dat is mislukt. Maar zijn leven is niet mislukt. De grote verdienste van Abel Herzberg is dat hij ons heeft uitgelegd waaróm de wereld niet beter wordt.”