Wurgpoging met spijkerjack

Zoë Jenny: Das Blütenstaubzimmer. Frankfurter Verlagsanstalt, 139 blz. ƒ 34,30

Zoë Jenny is jong en mooi en dochter van een uitgever: genoeg redenen om de commotie rond haar romandebuut te wantrouwen. Tijdens de Frankfurter Buchmesse werd de 23-jarige Zwitserse onder de aandacht bedolven; ze sleepte de Aspekte Literaturpreis in de wacht en is nu in het Duitse taalgebied de hype van het seizoen. De lezer van Das Blütenstaubzimmer ondervindt van al die Zoë-Jenny-reclame aanvankelijk alleen maar hinder, want wie loopt er nou graag achter een hype aan? Pas als je het boek uit hebt moet je toegeven dat het zo slecht nog niet is.

Tot en met de laatste alinea houdt Zoë Jenny vast aan haar sobere, dwingende stijl. In simpele zinnetjes vertelt zij het verhaal van Jo, een meisje op zoek naar haar ouders. Die gingen uit elkaar toen Jo een jaar of drie was en haar vader die voor haar moest zorgen had meer oog voor de door hem uitgegeven geschriften dan voor zijn kleine dochter. 's Nachts, want zijn boeken verkochten slecht, sloop vader het huis uit om als vrachtrijder geld te verdienen. Het kind hoorde de deur in het slot vallen en had voor de rest van de nacht nog slechts gezelschap van de duisternis en een stoet nare dromen.

Een jeugd met een tekort aan geborgenheid en een teveel aan nachtmerries is op zich niets bijzonders, zeker niet in de literatuur, die zich sowieso het liefst richt op de donkere zijden van het bestaan. In het Duits hebben bijvoorbeeld Manfred Bieler, Herbert Achternbusch en Josef Winkler prachtig geschreven over hun als onveilig ervaren kindertijd. Maar iedereen heeft zijn eigen geschiedenis en die van Zoë Jenny's 'ik' frappeert door de keiharde toon. Geen spoor van medelijden met haar ouders vind je bij deze Jo.

Wanneer zij na het behalen van haar vwo-diploma naar haar moeder afreist die ze twaalf jaar niet heeft gezien is ze getuige van een drama dat mensen normaal gesproken dichter bij elkaar brengt. Hier gebeurt echter het tegenovergestelde. Moeders tweede man, een kunstschilder met last van depressies ondanks de zonnigheid van het land waarin het paar is gaan wonen, knalt met zijn auto tegen een boom en sterft. De weduwe sluit zich op in een kamer die zij bestrooid heeft met fijngemalen bloesems; ze dreigt waanzinnig te worden. Het is de dochter die het leven van haar moeder redt.

Maar wat voor een leven is dat? Een leven gebaseerd op verdringing, ontkenning en hardnekkige leugens. Zodra de moeder weer enigszins bij haar positieven is bestaat de dochter voor haar niet meer terwijl ze de zelfmoord van haar man verdraait tot 'een tragisch ongeluk'. Jo constateert het met afkeer. Het duurt alleen een tijdje voordat ze zichzelf durft te bekennen dat ze deze vrouw nooit meer wil zien. En dat ze ook bij haar onverschillige vader niets meer te zoeken heeft.

Sommige mensen zijn nu eenmaal gestraft met waardeloze ouders. Die van Jo behoren tot de mislukte zelfontplooiers. Overal hebben zij een zootje van gemaakt en op de puinhopen blijven ze roepen dat alles moet kunnen, ongeacht de pijn die ze anderen daarmee doen. Waarom zou een kind respect voor zulke volwassenen hebben? Waarom zou een kind respect moeten hebben voor volwassenen in het algemeen?

En toch schrik je bij een terloopse mededeling als: 'Ik kan oude mensen niet uitstaan.' Twee bejaarden die moeite hebben met het instappen in een bus duwt Jo zonder pardon omver en een zwakzinnige vernedert zij tot hem de tranen in de ogen springen. Het spook van het zinloze geweld waart niet alleen door Nederland. Vooral de passages waarin de in Basel geboren schrijfster haar hoofdpersoon laat optrekken met een leeftijdgenootje zijn in al hun nuchterheid weerzinwekkend. Rea is emotioneel minstens even verwaarloosd als Jo en zo kwaad op de wereld dat ze haast iemand wurgt - met behulp van haar spijkerjack. Achteraf meent zij: 'Je had 't moeten filmen. Dan had je een geil reclamespotje voor spijkerjekkies gehad.'

In de zo poëtisch klinkende roman van Zoë Jenny zitten de Europese steden, discotheken en houseparty's vol met wraakzuchtige of op z'n minst griezelig kille jongeren. Ze hebben XTC nodig om nog een minimum aan warmte te kunnen voelen - en wie het verhaal van Jo heeft aangehoord begrijpt hoe de vork in de steel zit.

    • Anneriek de Jong