Verstrikt in dieventaal; Bijna onzichtbare beelden van Dora García

Het werk van kunstenaar Dora García biedt weinig houvast. Wat geluidsfragmenten en een rijtje geprojecteerde woorden, meer is er niet te zien in Middelburg. De bezoeker heeft behoefte aan een kader, maar “hier heerst traditioneel een groot dedain voor alles wat met theorie, kritiek en kennisoverdracht te maken heeft.”

Dora García: Lifetime soundtrack. De Vleeshal, Middelburg. Di t/m zo 13-17u. T/m 14 december.

Een groot deel van de kunst die we in de musea en de zogeheten toonaangevende galeries aantreffen is een onderonsje voor ingewijden. Dat schreef D. Kraaijpoel enige jaren terug in zijn boek De nieuwe salon en recentelijk voegde Riki Simons met De gijzeling van de beeldende kunst zich bij hem. Simons spreekt zelfs van 'een compleet nieuw soort hiërarchie gebaseerd op het principe dat niet-specialisten onvoldoende in staat zijn om op eigen kracht 'kwaliteitskunst' te herkennen.' De twee boze criticasters moeten aan tentoonstellingen als die van Dora García (1965) in de Middelburgse Vleeshal hebben gedacht. Wie het werk van de in Brussel wonende Spaanse niet kent, heeft namelijk weinig om zich aan vast te houden: op wat uit geluidsboxen afkomstige stem- en muziekflarden en een rijtje op de achtermuur geprojecteerde woorden na is de met oude standbeelden gedecoreerde hal leeg.

Ook de glimmende brochure die bij wijze van catalogus is uitgebracht, geeft niet thuis. Er staat weliswaar een tekst in waarmee de directeur van De Vleeshal, Lex ter Braak, enige achtergrond aan García's werk schijnt te willen verlenen, maar die drukt eerder een vetvlek op het werk dan dat hij iets verheldert. Zo schrijft hij over Breakthrough Fictioneers, een werk uit 1996 dat bestaat uit een serie paperbacks waarbij de oorspronkelijke tekst vervangen is door teksten van de kunstenaar: 'Deze nauwelijks volgbare interventies in de werkelijkheid onttrekken het kunstwerk aan zijn eigen object-zijn. Het bestaat niet als tastbaar voorwerp maar als gedachte situatie die zich slechts laat reconstrueren (afwezigheid) en raden (onzichtbaarheid).'

'Gedachte situatie': Ter Braak bedoelt waarschijnlijk gewoon 'denkbeeld'. En was de paperback al een kunstwerk voor het 'aan zijn eigen object-zijn' werd onttrokken? Wie het weet mag het zeggen, maar een duidelijk geval van art speak, het pseudo-filosofische kunstgewauwel, is zijn tekst zeker.

Nu zou je daar gewoon aan voorbij kunnen gaan, kunsthistorici hebben nu eenmaal, als alle specialisten, hun eigen dieventaal. Volgens Simons (net als Kraaijpoel zelf ook kunstenaar) heeft kunst, goede kunst, zelfs helemaal geen tekst nodig. Die heeft genoeg aan haar beeldende kracht.

Grenzen opschuiven

Maar is dat wel zo? Wordt hierbij niet teveel aan de traditionele schilder- en beeldhouwkunst gedacht? Ik denk het wel. De intenties van juist die kunstenaars die de grenzen van schilder- en beeldhouwkunst wilden opschuiven, bijvoorbeeld door het land, de architectuur of hun eigen lijf als materiaal te kiezen, zouden grotendeels in de lucht zijn blijven hangen als niet iemand er een kader aan had gegeven dat voor voldoende mensen hout sneed en hun verbeelding een nieuwe kant op stuurde. Dat kader is vaak nodig. Onze verbeelding is nu eenmaal, net als alles aan ons, geneigd om bekende patronen te volgen en er is vaak heel wat overredingskracht voor nodig om die te doorbreken. Dat is de taak van theoretici, critici en tentoonstellingsmakers, en niet zelden werken ook de kunstenaars zelf eraan mee.

In ons land wordt dat slecht begrepen. Hier heerst (met Mondriaan en De Stijl als grote uitzonderingen) traditioneel een groot dedain voor alles wat met theorie, kritiek en kennisoverdracht te maken heeft, eerst en vooral onder kunstenaars. Daardoor kennen wij geen kunstenaars/theoretici als Judd, Beuys, Buren of zelfs Koons. En ook (het verband is niet toevallig) nauwelijks werk dat zich, wat radicaliteit betreft, met het hunne kan meten. De Nederlandse kunst heet over de grens dan ook brave kunst.

Ik zeg het maar snel: het Woord is niet alles. Kunst, goede kunst, heeft inderdaad een beeldende kracht die zich niet laat evenaren. Maar het kan even duren voordat wij die kunnen zien. In dat vacuüm is de kunst het meest in gevaar. Dat gevaar heet annexatiedrift. Theoretici hebben er vaak last van, maar vooral tentoonstellingsmakers. Zij werpen zich daarbij op als the one and only, de in het mysterie ingewijde, en ze getuigen daarvan in duistere geschriften. De kunstenaar die zich daarop verlaat, verliest zijn greep op de inhoud van zijn werk.

García loopt dat risico. Haar werk leunt op de verklarende uitleg van Ter Braak dat dit een geluidswerk is dat 'een scenisch-filmisch karakter heeft'. De toeschouwer die De Vleeshal binnenkomt, loopt, schrijft hij, als het ware een film binnen waarin hij zelf de hoofdpersoon is. De beelden van die film moet hij zelf maken aan de hand van de brokstukken muziek en gesproken tekst die uit in de nissen verstopte luidsprekers komen. Ze hangen samen met de negen woorden op de muur.

Puzzelen

Het eerste woord is Intro, het volgende Action, en na Alarm, Voice, Silence, Memory: sad & beautiful, Prosecution en Redemption volgt ten slotte End. Een ontwikkelingsgang, dat lees je eraan af. Maar in welke fase ben ik? De muziek- en stemfragmenten zijn voornamelijk gedragen, dramatisch of melancholisch, maar is dat Alarm? Of Memory? Of ben ik al aan de finale bezig? Het blijft puzzelen, en daardoor willen de beelden maar niet komen.

Maar zijn die beelden wel nodig? Muziek, geluid kan toch ook een beeldloze ervaring zijn? Misschien heeft García wel beoogd een geluidssculptuur te maken en wilde zij de hal een nieuwe ruimtelijke dimensie geven door middel van muziek. Misschien is haar dat gewoon niet gelukt. Ik ben bang dat het anders zit. Naar film verwijzen is mode. Sommige kunstenaars werken er direct mee, zoals Douglas Gordon die onder meer bestaande films vertraagd vertoont, anderen gaan indirecter te werk. Pierre Bismuth bijvoorbeeld toonde recentelijk in Witte de With in Rotterdam van een film alleen de ondertiteling. Het was aan ons om de beelden in te vullen.

Op dat laatste spoor zit García. Ook zij vraagt van ons 'zelfwerkzaamheid', zoals dat in de jaren zestig heette. Alleen behoorde dat woord toen bij een democratische opvatting van kunst: de beschouwer moest geen kunstconsument zijn, maar zelf producent. Nu spreekt men liever van interactiviteit en laat filosofisch klinkende begrippen mee resoneren. In dit geval Afwezigheid en Onzichtbaarheid.

Ter Braak: 'Er bestaan beelden van afwezigheid, zij kunnen zelfs sterker zijn dan die van de aanwezigheid. Zoals soms het lege huis de afwezige bewoners intenser dan ooit tevoren aanwezig laat zijn. (-) Elk attribuut (een jas, een foto, een doosje, een fles) is een spoor dat het afwezige ontrafelt en zichtbaar maakt.' Vervolgens wijst hij naar een inspiratiebron van García, de film The invisible man (1933) van James Whale.

Ik ken de film niet, maar Ter Braaks beschrijving is, hoe gebrekkig ook geformuleerd, genoeg om de verbeelding op gang te brengen. De onzichtbare man wordt in de manier waarop hij sporen van leven achterlaat, zichtbaar als karakter. Het ongrijpbare krijgt op die manier vorm.

Alle kunst streeft het effect van The invisible man na: de ervaring dat wat niet gezegd kan worden, gezegd is. Maar García lijkt ervan uit te gaan dat het voldoende is om zich op die woorden zelf te beroepen. Zo machtig is het woord niet, ook en vooral niet als het komt uit de mond van een tentoonstellingsmaker met annexatiedrift.

    • Anna Tilroe