Updike en Vonnegut over de ouderdom; Spelen met de dementie

John Updike: Toward the End of Time. Knopf, 334 blz. ƒ 43,50

Kurt Vonnegut: Timequake. Putnam, 219 blz. ƒ 42,50

In de proloog van zijn nieuwste, en laatste, roman Timequake meldt Kurt Vonnegut met zijn bekende laconieke openhartigheid dat hij in de winter van 1996 ontdekte dat hij al bijna tien jaar zat te werken aan een roman 'which did not work, which had no point, which had never wanted to be written in the first place.' Genoeg gezweet, besloot de auteur en hij werkte zijn mislukte manuscript om tot een 'stoofpot waarin de beste gedeelten van dat mislukte boek vermengd werden met gedachten en ervaringen van de zeven volgende maanden.' En daarmee was het gelijk ook afgelopen, zo laat hij ons weten: er zal geen volgend boek meer komen.

De hoofdpersoon van John Updike's nieuwste, maar zeker niet laatste, roman is een gepensioneerde investeringsadviseur, die niet alleen nadrukkelijk wordt geconfronteerd met zijn eigen sterfelijkheid maar ook, mede daardoor, in een levens- en geschiedenisfase verkeert die hem doet filosoferen over het einde der tijden, voorzover zich dat laat denken.

Het is in heel lichte mate een ontnuchterende ervaring, deze beide boeken achter elkaar te lezen. Beide zijn nadrukkelijk geïnspireerd door het proces van ouderdom. In het ene geval (Updike) is het ook het overheersende thema, in het andere is het gevoel van afnemende vermogens dat de auteur (Vonnegut) bij zichzelf registreert zelfs de oorzaak van een grondige ingreep die het boek niet ten goede komt - en uiteindelijk voor de mededeling dat het na dit boek afgelopen is met schrijven.

In beide gevallen situeren de auteurs hun verhaal in het Amerika van de volgende eeuw, op een tijdstip dat ze zelf als creatieve kunstenaars niet meer zullen meemaken. Het is alsof ze daar via deze kunstgrepen al op preluderen, en dat maakt dat een wat herfstig gevoel van betrekkelijkheid de lezer bekruipt: het is alsof er met deze auteurs, beiden behorend tot Amerika's meest gelezen serieuze schrijvers van de tweede eeuwhelft, een generatie aan het afsterven is. En dat is natuurlijk ook zo.

Het uitgangsidee van Timequake One, zoals Vonneguts roman oorspronkelijk zou heten, was dat een tijdschok, wat dat ook moge zijn, een plotselinge glitch in het continuüm van ruimte en tijd, in het jaar 2001 iedereen op aarde exact hetzelfde zou laten doen wat ze het afgelopen decennium al hadden gedaan. 'It was deja vu that wouldn't quit for ten long years,' schrijft hij, tamelijk lapidair. Iedereen werd teruggezapt naar 1991, en moest dan weer naar 2001 toewerken, minuut na minuut, uur na uur, jaar na jaar, 'opnieuw wedden op hetzelfde paard, opnieuw trouwen met de verkeerde persoon, opnieuw geslachtsziekte oplopen, noem maar op!'

Het klinkt een beetje cru, maar ik denk niet dat zelfs de hard core fans van Vonnegut er erg rouwig om zullen zijn dat hij de bijl erbij heeft neergegooid wat dat oorspronkelijke idee betreft. Het zijn losse alineaatjes, vaak in gesprekvorm met zijn welbekende alter ego Kilgore Trout, er zit geen systeem of logica in, het is een boek van vrije improvisatie op géén thema, en de oorspronkelijke verhaallijn is te flauw om zelfs maar na te vertellen.

Het leidt tot pagina's die hoofdzakelijk irritant zouden zijn als daar niet altijd Vonneguts onnavolgbare humor en hoogst onorthodoxe gedachtekronkels waren om de lezer gespitst te houden. Al moet ik zeggen dat ik de 'geredde' delen van de mislukte roman zo onbegrijpelijk en fragmentarisch vind dat ze zelfs in deze vorm nauwelijks het redden waard zijn, toch is er iets wat Timequake Two, zoals hij dit eindproduct zelf noemt, wél redt. Meer dan dat zelfs; het zijn de hier en daar verstrooide en al even gefragmenteerde, overigens niet altijd nieuwe, flarden memoires en autobiografie die de auteur door deze stoofpot heenroert. Het zijn soms kleine juweeltjes waar ik zelfs nog de slappe lach van krijg als ik ze voor de tiende keer lees (een voorbeeld: 'My father often misquoted Shakespeare, but I never saw him read a book'.)

Grof gebreid

Zo ontstaat er iets wat meer is dan alleen incidentele prachtige zinnetjes want op deze manier wordt er, in de beschrijving van zijn familie, en vooral het ontroerende relaas van de dood van zijn eerste vrouw, toch een grof gebreid patroon zichtbaar, van een jeugd, een geschiedenis, een familie. Vonnegut houdt, bij monde van Kilgore Trout, een hartstochtelijk pleidooi voor de extended family en de instandhouding van de waarden van het gezin, 'dat wat ik in Indianapolis had voor de Tweede Wereldoorlog, en wat de karakters in Thornton Wilders Our Town hadden en wat de Ibo's in Nigeria hebben.' Het is alsnog een waardig afscheid dat een schrijver van zijn metier neemt, iemand die beseft hij 'geen publiceerbaar proza meer kan schrijven.' Vorig jaar werd hij vierenzeventig, meldt hij met een verraderlijke hilariteit, 'en Johannes Brahms stopte met componeren toen hij 55 was. Genoeg!'

Een groter verschil in stijl en aanpak dan tussen Updike en Vonnegut is nauwelijks denkbaar. Vonnegut weigerde altijd op conventionele manier een verhaal te vertellen en zo ook hier weer: hij breekt af, verraadt de afloop op pagina één, hakt zijn betoog in schijnbare non sequiturs, laat op Brechtiaanse manier voortdurend weten dat er hier een auteur aan het woord is, die kan maken en breken, bedriegen en liegen.

Zo niet Updike. Wat bij Vonnegut ontbreekt is wat zijn tijdgenoot ooit 'that wonderful sense of effort' noemde, misschien nog meer dan in welke eerdere roman treedt hij hier op als enchanter, is het betoveren wat hij doet, met een proza dat glanst en glinstert als zelden tevoren en dat bedoeld is om de lezer mee te slepen. Ook Updike situeert zijn verhaal in een nabije toekomst, en ook in zijn geval is het een komische handgreep waarvan waarschijnlijk alleen hijzelf de noodzaak inziet.

We schrijven het jaar 2020, en Amerika heeft zojuist een nucleair conflict met China achter de rug. Weliswaar heeft het zijn mondiale suprematie bevestigd, maar de infrastructuur van het land is danig ontwricht. Er is geen centraal gezag, er is alleen een organisatie als Federal Express die zowel voor communicatie als voor 'bescherming' zorgt. De dollar bestaat niet meer, er zijn geen verbindingen tussen de Oostkust en de veel zwaarder getroffen Westkust, Washington heeft zijn plaats als machtscentrum moeten afstaan aan Memphis (dat is pas echt leuk) en er heeft een verontrustende braindrain plaats richting Mexico, dat als het land van de toekomst wordt gezien.

Dit is allemaal uiterst geestig en op een aangename, lichte manier tot decor verwerkt. Je kunt als lezer Updike bijna zich zien verkneukelen met deze futuristische Spielerei, om vervolgens schijnbaar pagina's lang te vergeten dat zijn verhaal in de toekomst speelt. Het is overwegend het New England van de late twintigste eeuw dat we beschreven zien, en misschien is dat maar beter ook.

Updikes gepensioneerde investeringsadviseur heet Ben Turnbull, en hij woont met zijn tweede, bemoederende en hyperactieve vrouw Gloria ten noorden van Boston, in dat deel van de VS waar de oorlog de minste slachtoffers eiste. Ben is, in de herfst van zijn leven, een liefhebber van golfen, van zijn kleinkinderen, van de natuur en van populaire natuurwetenschappen. Het gemier in zijn tuin gaat snel vervelen - het verhaal strekt zich uit over precies één jaar en het verstrijken van de seizoenen wordt af en toe veel te uitputtend aan de hand van de flora geïllustreerd. En zijn kosmologisch hobbyisme is voor de auteur een vehikel hem op sommige plaatsen te laten transformeren in een andere persoonlijkheid, in een ander universum. We zien hem als nazi-beul, als Keltische monnik vlak voor de Noormannen hem slachten, als Egyptische grafschender, en hoewel het allemaal vakkundig is opgeschreven blijft het een beetje dood gewicht in deze voor het overige zo levendige vertelling.

Updike - het zij voor de zoveelste maal gezegd - is altijd op zijn best wanneer zijn alter ego dicht bij hemzelf blijft; in zijn fictie heeft hij zichzelf als het ware opgesplitst in Richard Maple (falend gezinshoofd), Henry Bech (auteur) en Harry Angstrom oftewel Rabbit (Amerikaans everyman). Maar ook hier zien we de persoonlijkheid van de auteur overal door zijn Turnbull heenschemeren, in zijn voorkeur voor stevige seks ('I want women to be dirty'), zijn schuldgevoel als tekortkomend vader, de behoefte aan een soort volwaardige aandacht die Gloria hem in steed mindere mate schenkt nadat een prostaatoperatie hem tot een zielige patiënt heeft gemaakt. Het zijn prachtige episodes, als hij met zijn katheter en later in luiers gewikkeld door het huis strompelt en uiteindelijk, voor het slapen gaan, Gloria met dunne stem vraagt of hij weer eens naast haar mag komen liggen.

Misschien over een tijdje weer, zegt ze. 'Ze hield haar gezicht omhoog om gekust te worden - glanzend van niet-ingewreven crème en wat vooruitgestoken rond de mond als dat van een mooie aap met naar voren staande boventanden. Haar ogen waren gesloten; een glimlachje van verwachting op haar bleke lippen anticipeerde mijn kus, die op haar mond neerdaalde als een havik die omlaag scheerde om een zangvogel in zijn klauwen te grijpen. Haar gezicht was een koud meer van vet met een medicinaal luchtje.'

Maar is Ben Turnbull echt een gepensioneerde investeringsadviseur? Updike doet zijn best hem wat corny opinies mee te geven die bij zijn professie zouden passen - zo heeft hij het in een hilarische episode over John Grisham als die 'twintigste-eeuwse meester' wiens werk in een verkorte en vereenvoudigde versie voor middelbare scholieren op de literatuurlijst staat. Maar op veel andere momenten lijkt hij ook dat te vergeten, zoals waar hij de 'fuzzy Rothko' beschrijft die 'de slapeloosheid op zijn plafond schildert'. Ook zijn bespiegelingen over tijd en ruimte (culminerend in de naar de titel toewerkende vraag but can time end?), over eindigheid naarmate hij zijn eigen einde naderbij voelt komen, zijn me iets te briljant voor een amateur.

Vergeetachtigheid

Tegen het eind van de roman is het alsof Updike zijn lezers uitdaagt hem te volgen in een spel met de dementie: Ben begint ons te vermoeien met zijn zoveelste herhaalde mededeling dat wat zijn vrouw Gloria de achterkant van het huis noemt wat hem betreft de vóórkant is; maar is het nu werkelijk vergeetachtigheid van Ben of van de auteur, als hij zich voorneemt weer wat golfoefeningen te doen op het Tabriz-tapijt dat hoofdstukken eerder door een prostituee is gestolen? Is het onzorgvuldigheid of spel, als hij ons voor de tweede keer laat weten dat zijn moeder misprijzend oordeelde over zijn huwelijk met Gloria, maar haar 'gebit wel een goeie investering' vond?

Ik heb een dermate hoge opinie van deze auteur dat ik denk dat alles er staat zoals het er moet staan. Updike is nog steeds, in onverminderde mate, in staat tot observaties die de lezer met een zucht van bewondering de pagina's doen omslaan. Waar Vonnegut de handdoek in de ring heeft gegooid, is er bij Updike, negen jaar jonger, nog niets van afnemende verbeeldingskracht te merken. Wordt het niet eens tijd dat de bookmakers ons laten inzetten op de mogelijkheid dat er in 2000 alsnog een Rabbit V zal verschijnen? Rabbit Remembers? Rabbit Reclining? Rabbit Reclaimed zou ook mooi zijn. Iemand die zo over ouderdom en aftakeling kan schrijven als in dit boek is het zijn lezers eigenlijk min of meer verplicht.