Uchida duikt op Beethoven als een kamikaze-piloot

Concert: Mitsuko Uchida (piano). Programma: werken van Bach, Chopin en Beethoven. Gehoord: 20/11 Concertgebouw Amsterdam. Symposium op 22/11, concerten op 22 en 23/11, Concertgebouw Amsterdam.

'Een weekend met...', zo heet de nieuwe serie van het Concertgebouw in Amsterdam, waarin opmerkelijke artiesten worden uitgenodigd een soort mini-carte blanche samen te stellen. De in Londen gevestigde Japanse pianiste Mitsuko Uchida opende deze serie met een recital in de Grote Zaal, waarbij ze zich met vurige toewijding op werken van Bach, Chopin en Beethoven stortte. Zaterdag- en zondagavond zal Uchida in de Kleine Zaal kamermuziek uitvoeren met het Brentano String Quartet en de Japanse altiste Naoko Shimizu.

Op het programma staat onder meer een bewerking voor piano en strijkkwintet van Beethovens Vierde Pianoconcert uit 1807. daarover wordt morgen om 11 uur een symposium gehouden, waaraan ook Uchida haar medewerking verleent. In mei 1998 zullen achtereenvolgens het London Symphony Orchestra (vanaf 2 mei) en de klarinettiste Sabine Meyer (vanaf 7 mei) centraal staan in 'Een weekend met...'.

Uchida opende haar recital met een grillige, hier en daar zelfs grimmige vertolking van Bachs Derde Engelse suite in g, BWV 808. Dit werk, dat vrij recent door de Portugese pianiste Maria Joa Pires met dartele gratie, volmaakte helderheid van stemvoering en een onsterfelijk mooi toucher werd opgenomen voor Deutsche Grammophon, komt het beste tot zijn recht als de noten van de partituur letterlijk worden genomen. Pires doet dat met ongekunstelde eenvoud en natuurlijkheid, maar Uchida zoekt haar heil in het verfraaien van Bachs noten. Helaas, want met de introductie van 'valse' accenten, onevenwichtige rubati, een overdreven beklemtoning van de ene stem ten koste van de andere en een extremistisch toucher dat beter bij Liszt zou passen, blijft er van Bachs devote vitaliteit weinig over.

Geloofwaardiger klonk Uchida in haar serene benadering van de Twee nocturnes, op. 62 en de Polonaise-fantaisie, op. 61 van Chopin. Hierin verruilde ze geëxalteerde maniërismen voor een bijna overdreven soberheid, die aanvankelijk imponeerde. De Twee nocturnes klonken dromerig en dichterlijk, maar in de loop van de Polonaise-fantaisie verkeerde Uchida's sereniteit, ondanks de emotionele uitbarstingen die ze zich veroorloofde naarmate het werk vorderde, in gekunstelde saaiheid.

Het wonderlijke, onaardse imperium van Beethovens Sonate in c, op. 111 bleek Uchida nog het beste te liggen. Met de niets ontziende passie van een kamikaze-piloot dook ze op de de dramatische openingsakkoorden van deze late sonate, waarbij er onvermijdelijk enkele noten sneuvelden. Daarna werd in het Allegro, con brio ed apassionato het mitrailleurvuur geopend, waarbij alles in het werk werd gesteld om de nietszeggendheid op de vlucht te jagen. Daarna leidden ijle en broze klanken de bijna tastbare waanzin van het Arietta: Adagio molto semplice e cantabile in. Het was allemaal een beetje 'overdone', maar als één componist Uchida's neiging tot extreme contrastwerking goed kan verdragen, dan is dat wel Beethoven.

    • Wenneke Savenije