Prijsvarkens

TORONTO. “Heb jij ook zo'n volle voice-mail?”, vroeg schrijver David Leavitt aan schrijver Redmond O'Hanlon tijdens het avondeten. In Toronto werd een schrijversfestival gehouden. Schrijvers uit alle delen van de wereld waren in Toronto bijeengekomen om voor te lezen uit hun eigen werk. En ook om op een podium geïnterviewd te worden door een sympathieke interviewer. Zo stond het in ieder geval in de brief die wij hadden ontvangen.

Alle schrijvers ontvingen een naambordje met een groene streep onder hun naam. Als schrijvers hun vrouw of man hadden meegenomen, kregen die ook een naambordje met een oranje streep onder hun naam. Opdat er geen verwarring zou ontstaan. Iedere avond om half zes werden wij verwacht op de 21ste verdieping van het hotel in een kamer die was ingericht als woonkamer voor de schrijvers.

In onze welkomstbrief stond: 'Uw gezelschapsheer of gezelschapsdame is van harte welkom op de diners voor schrijvers. Maar in het verleden hadden we een klein probleem toen schrijvers ook groupies meebrachten naar de schrijversdiners. Daarom verzoeken wij u dringend ervan af te zien iemand anders dan uw vaste gezelschapsheer of -dame naar het avondeten mee te nemen.'

Om zes uur stipt klapt de artistieke directeur van het festival in zijn handen en zegt: “We gaan de bus in, wil iedereen me volgen?”

“Schrijvers zijn de ergste kuddedieren”, zegt de Canadese dichter Patrick Lane. Hij is boos, omdat hij zijn naamkaartje op moet. Hij geeft zijn naamkaartje aan mij. Nu ben ik Patrick Lane.

De Engelse kinderboekenschrijfster Jill Paton-Walsh bestudeert mijn naamkaartje.

“Maar jij bent Patrick Lane helemaal niet”, zegt ze, nadat ze in het programmaboekje heeft gebladerd waarin al onze foto's staan afgedrukt.

Ik geef toe dat ik Patrick Lane niet ben.

“Wanneer lees jij?”, wil Jill weten.

“Dinsdag.”

“Ik ook”, zegt ze, “maar ik geloof dat ik in een andere zaal lees. Gelukkig, dan zijn we verlost van de verplichting naar elkaar te luisteren.” Na dit gezegd te hebben verwijdert ze zich discreet.

De Russische schrijver Pelevin praat voornamelijk tegen zichzelf.

In de bus gaat hij helemaal achterin zitten, zelfs al is de bus maar halfvol.

De directeur probeert de stemming erin te houden, als we in een file staan door wetenswaardigheden over Toronto te vertellen.

Een Canadese schrijver met de voornaam Norman klampt me aan. Hij beweert een goede vriend te zijn geweest van Rob van Gennep. Norman begint met praten en houdt niet meer op. In het restaurant dwingt hij me naast hem te gaan zitten. Af en toe onderbreekt hij zijn monoloog met de woorden, “nu moet jij eens iets zeggen.”

Norman zegt: “Als je niet heel erg goed bent kan je het schrijven beter laten. En of je heel erg goed bent weet je pas twintig jaar na je dood. Het is een catch 22.”

Deze zin herhaalt hij wel vier keer tijdens het eten. Plotseling schiet me te binnen dat alle schrijvers op dit festival misschien wel al twintig jaar dood zijn.

Naast mij bediscussiëren twee schrijvers de kwaliteit van de wijn geserveerd tijdens het festival. “Ik drink alleen nog maar bier”, zegt de ene. De ander geeft hem gelijk. “Na één glas heb je al hoofdpijn, en er is ook niets voor vegetariërs.”

Richard Ford glimlacht minzaam voor zich uit, na iedere hap die hij neemt. Alsof alle ogen op hem gericht zijn, wat misschien ook wel het geval is.

De Russische schrijver gaat een kippenboutje te lijf met een tandenstoker. Als iemand hem vraagt waarom hij dat doet, antwoordt hij: “Ze hebben me geen bestek gegeven.”

Alleen de heel snelle eters krijgen een toetje. De anderen worden zonder dessert de bus ingeduwd.

De schrijver Piers Paul Read staat al een half uur buiten voor het raam.

“Was het eten niet lekker?”, wordt hem gevraagd.

“Dat wel”, zegt hij, “maar de gespreksstof was op.”

In de bus zegt een vrouw van een schrijver tegen me: “Ik wist niet dat schrijvers tegenwoordig zo jong zijn.” Ik geef toe dat de meeste schrijvers op dit festival minstens twee keer zo oud zijn als ik. “Mijn man doceert aan de universiteit”, antwoordt ze, “vind je het niet jammer dat jij nooit gestudeerd hebt? Mis je dan niet heel veel?”

De lezingen van de schrijvers verlopen niet allemaal even soepel. Maar het publiek is heel beleefd of slaapt.

Een Canadese schrijfster lijkt tijdens haar lezing ieder moment in tranen uit te zullen barsten. De Duitser Sten Nadolny is een aangename uitzondering. Een paar keer onderbreekt hij zijn lezing met de woorden: “Bedankt dat u mij kunt verstaan.” Hij spreekt over de god Hermes.

Vrijdagochtend zit ik in een hotelkamer en ontvang journalisten. Een mevrouw van de Toronto Star stelt mij vragen die ik al honderd keer heb beantwoord, maar dat kan zij ook niet weten. “Ben je wel eens dakloos geweest?”, vraagt ze op het eind. “Dat nog nooit”, zeg ik, “denk u dat ik iets gemist heb?”

Op vrijdagavond word ik verwacht in het huis van de Nederlandse consul-generaal, meneer S. Hij haalt me op in mijn hotel.

“Heeft u de jenever ontvangen”, informeert hij, “die ik voor u bij het festival heb laten afleveren.”

Ik zeg dat ik niets heb gezien.

“En het wagenwiel kaas?”

“Ook niet”, zeg ik.

Maar een paar dagen later duikt in de zogenaamde woonkamer voor de schrijvers inderdaad een fles jenever op. Het wagenwiel blijft spoorloos.

In het huis van de consul-generaal zijn veertig mensen en heel veel loempiaatjes.

Een meneer met een strikje spreekt me aan. “Ik heb ook een boek geschreven”, zegt hij, “over zweefvliegen.”

De consul-generaal heeft mij subtiel laten weten dat ik niet uit mijn werk mag voorlezen, er alleen over mag vertellen.

Zondagavond is er een receptie voor alle schrijvers in het stadhuis van Toronto. De burgemeester zelf is er niet, want die is op verkiezingstournee. Alle schrijvers krijgen groene lintjes om. We lijken op prijsvarkens.

De receptie zelf heeft veel weg van een receptie na een crematie, maar misschien ligt dat ook aan het stadhuis.

Een meneer met een kaal hoofd komt bij me staan. “Ik ben journalist”, zegt hij. Hij haalt een pak visitekaartjes uit zijn binnenzak. “Dit is de oogst van de voedingsbeurs waar ik vanmiddag was, maar ik schrijf ook over boeken, wie ben jij?”

Maandag organiseert het festival een uitstapje naar de Niagara Waterfalls. Er gaan twee schrijvers mee: ik en de Ier Colm Toíbín.

Bij de watervallen krijgen we allemaal een gele vuilniszak die we om moeten doen om ons tegen het water te beschermen. De watervallen doen Toíbín denken aan de hel.

In een dorp waar we stoppen om te lunchen schaf ik vier konijnenvellen aan. Dinsdag is mijn lezing. Ik lees samen met de Chileen Fuguet en de Rus Pelevin.

Fuguet is heel nerveus.

We lezen in een danstheater. Er mag geen alcohol op het podium.

Ik begin mijn lezing met de woorden: “De allereerste keer dat ik in het Engels las kwam na afloop een oude dame naar me toe die zei: Toen je voorlas leek je net op Jezus aan het kruis. Was het lezen zo'n marteling? Al wat ik hoop is dat ik vanavond niet op Jezus aan het kruis zal gaan lijken.”

Pelevin begint zijn lezing met de woorden: “Arnon vergeleek zichzelf net met Jezus aan het kruis. Ik vergelijk mezelf liever met die twee boeven die tegelijk met hem zijn gekruisigd.” Daarna zegt hij een paar woorden in het Russisch en laat een hoofdstuk uit zijn boek voorlezen door een Canadese acteur.

Woensdag word ik geïnterviewd voor publiek door een dichter uit Toronto, Kevin Connolly. Het is het leukste interview dat ik in tijden heb gegeven.

Na afloop mag het publiek vragen stellen. Een oude dame met een hoed staat op.

“Wat was het doel van uw omzwervingen door Amsterdam”, wil ze weten.

“Niet alles in het leven heeft een doel”, antwoord ik, “maar doelloos is niet hetzelfde als waardeloos.”

“Ik heb nog een vraag”, zegt ze. “Denkt u dat uw boeken mensen gelukkig zullen maken?”

“Ik schrijf niet om mensen gelukkig te maken. Ik wil in dit verband Woody Allen citeren die heeft gezegd: 'If my film makes one more person feel miserable I'll feel I've done my job'.”

Die avond is er een feest ter ere van Richard Ford. Piers Paul Read is dronken en fluistert in mijn oor: “Trouw en ga een bourgeois-leven leiden. Vroeg of laat trappen we allemaal in dezelfde val.”