Poëzie uit schrappen ontstaan; Nieuwe gedichten van Rutger Kopland

Rutger Kopland: Tot het ons loslaat. Van Oorschot, 38 blz. ƒ 24,90/ƒ 39,90 geb.

Er staan prachtige gedichten in de nieuwe bundel van Rutger Kopland. Gedichten die in eenvoudige taal heel veel zeggen, maar niets prijsgeven. Die raadsels onder woorden brengen, maar het mysterie nooit ophelderen. En die steeds weer een verhaal beginnen dat maar geen verhaal wil worden - zoals in 'Aan zee en verder':

Ze keek naar de zee en ging daarin op op in dat kijken en in de zee zozeer dat wij later zelfs van haar voeten geen spoor konden vinden alleen ons verhaal liet ze achter op aarde maar het eind nam ze mee

Het slot van deze schijnvertelling verwijst naar het begin; maar ook bij de zoveelste herlezing stokt het verhaal, want er is geen handeling in deze ellips. Er gebeurt niets.

Volgens Auden was dat een kenmerk van poëzie: 'Poetry makes nothing happen.' Kopland citeerde hem instemmend in Het mechaniek van de ontroering (1995), een essaybundel waarin hij verwoorden wilde wat een gedicht tot gedicht maakt, en welke rol een dichter daarbij heeft. Maar ook in die openhartige essays blijft,zoals in Koplands gedichten, het poëtische raadsel onopgehelderd. Ook daarin komt het verhaal niet af.

In Tot het ons loslaat wijdt Kopland een intrigerend tweeluik aan zijn onvermogen om antwoord te geven op de 'eeuwige vragen' van zijn kleindochters. 'Waar komen de grote mensen vandaan / en waarom hebben ze geen kinderen' luiden die vragen van zowel 'Kleindochter I' als 'Kleindochter II'. Beide meisjes keuren zijn in verhalen verhulde antwoorden af, en beide keren reageert hij identiek, zij het in andere woorden: 'ik zoek nog steeds naar een ander verhaal / dat goed is voor ons beiden' en 'ik denk nog steeds: wat is het dan / wat kan voor ons beiden'. Tot hier is het tweeluik symmetrisch, maar de regels erna worden contravormen:

we waren gaan zitten en ik weet nog

precies

hoe we daar ergens zaten - hoe dichtbij haar huid rook hoe jong dat rook en hoe verweg

en dat ik precies dezelfde vragen

moest denken als zij

eindigt 'Kleindochter I'. De pendantregels in 'Kleindochter II' zijn minder zeker van het gevoel, maar ook minder bekommerd om het antwoord op de grote vragen. En dat leidt tot catharsis:

zo'n lente waarin ik nooit weet hoe het voelt: oud gras

en van die bloempjes - daar stonden we bij onze poppenwagen

dat heel kleine vrouwtje en die man

ik dacht: ze heeft gelijk en het geeft niet

dat ik niet weet waarom

Even balanceert de dichter hier op het slappe koord dat de sentimenten scheidt van het sentimentele. In het verleden is Kopland door menig criticus verweten dat hij bepaald geen meester was in die evenwichtskunst. Maar in de loop der jaren is dat meesterschap wel degelijk verworven. Waar in Tot het ons loslaat het gevoel de kop opsteekt (zoals in het ontroerende 'Hond en hand') wordt de emotie onderdeel van, en dus ondergeschikt aan het paradoxale spel van de poëzie. Een spel dat Rutger Kopland kernachtig samenvatte in zijn dankwoord bij de aanvaarding van de P.C. Hooftprijs 1988. 'Men dient een gedicht spankracht te verlenen door de spanning er uit te halen,' zei hij toen. 'Men dient het gedicht uit de persoonlijke sfeer te halen door nog persoonlijker te worden, de gebeurtenis zo te vertellen dat zij blijkt niet gebeurd te zijn, iets te zeggen wat niet gezegd kan worden.'

Het zijn deze paradoxen die het eeuwige verhaal van de poëzie in Tot het ons loslaat bepalen. 'Vanavond zou ik dingen willen zeggen / terwijl er eigenlijk geen dingen voor zijn' luiden de eerste regels van 'Licht'. En 'Terwijl het verhaal wil dat het verteld en / voorbij is - maar het breekt af', begint het gedicht 'Oorlog'. In feite is elk vers in deze bundel programmatisch voor de andere.

Dat benadrukt de hechtheid van Koplands oeuvre: zowel in zijn gedichten als in zijn essays. In Het mechaniek van de ontroering schreef hij, als psychiater en dichter, over de wankele verwantschap tussen wetenschappelijke en poëtische bezigheden. De vier slotgedichten van Tot het ons loslaat, en dan vooral 'De laatste bevindingen', lezen als een poëtisch commentaar op dat essay. En ook elders in deze bundel blijkt Kopland trouw aan wat hij over de dichtkunst beweerde: dat de poëzie niet klaarligt in het hoofd van de dichter, maar dat die schrappend zin geeft aan wat zich niet zeggen liet. Wie dat beseft, ziet hoe de geschiedenis van het gedicht samenvalt met 'De geschiedenis van een beek':

Zoals de oude geografen haar tekenden

- hoe ze zich onder hun pen wendde en keerde

zich wiegde en verstilde en dan

liet gaan naar de zee -

met die precisie waarmee geen woord wordt gezegd

geen woord wordt verzwegen

en zoals de oude wereld haar kende

- hoe de dieren zagen dat ze zich wendde en keerde

in hun gras en de wilgen dat ze zich wiegde

aan hun voeten, hoe het riet zag

dat ze haar water verstilde en de hemel

dat ze zich liet gaan naar de zee -

met die niets ontziende blik waarmee alles

wordt gezien en alles wordt vergeten