Mijn liefje, mijn stoofschoteltje

Mario Vargas Llosa: Geheime notities van don Rigoberto. Uit het Spaans vertaald door Arie van der Wal. Meulenhoff, 304 blz. ƒ 39,90

Bijna tien jaar geleden, in 1988, publiceerde Mario Vargas Llosa een kleine roman in de succesvolle reeks 'La sonrisa vertical' (De verticale glimlach) van de Spaanse uitgever Tusquets. Spanje verkeerde op het hoogtepunt van zijn postfranquistische euforie; het land was nog maar kort toegetreden tot de Europese Gemeenschap en de bomen leken tot in de hemel te groeien. In dat klimaat was een reeks literair verantwoorde erotische romans een schot in de roos. 'La sonrisa vertical' werd een fenomeen, waaraan de jaarlijks toegekende prijs voor het beste erotische werk extra luister verleende.

Een van de boegbeelden van 'De verticale glimlach' werd Vargas Llosa's Lof van de stiefmoeder. Terecht, want Vargas Llosa wist aan het erotische genre een geheel nieuwe wending te geven. Niet om seks draaide het verhaal, maar om sensualiteit, fijnproeverij en welbehagen, al ontbrak het geslachtelijke daarbinnen niet. Het boek blonk uit in even fantasie- als smaakvolle beschrijvingen van het geërotiseerde menselijk lichaam, waarbij de sensuele stimulans net zo goed van het maken van het toilet of het beschouwen van een kunstwerk als van het tussenlakense rollebollen kon uitgaan. Dat Vargas Llosa zich bij zijn verschillende hoofdstukken liet inspireren door schilderwerken (van Fra Angelico tot Bacon) en die ook in het boek liet opnemen, benadrukte het ongewone ervan. De erotiek werd een lust van de zintuiglijkheid, die het hele boek lauwwarm doortrok en de (enigszins ontvankelijke) lezer met een diffuus soort zingenot vervulde.

Helaas heeft Vargas Llosa het onzalige idee gehad het niet bij die ene roman te laten en publiceerde hij dit jaar een vervolg, waarvan nu ook een Nederlandse vertaling is uitgebracht. Geheime notities van don Rigoberto verscheen niet in de 'Verticale glimlach', maar als een 'gewone' roman en daar beginnen meteen de problemen. Lof van de stiefmoeder kon men een pamflet noemen dat een lans wilde breken voor een nieuwe en meer verfijnde sensualiteit. Maar in het vervolgdeel zet Vargas Llosa het verhaal voort, zonder aan de erotische fantasie nog iets toe te voegen. Beide verliezen daardoor elke kracht. Het boek leest als een obligate herhalingsoefening, parasiterend op een vroeger succes dat daardoor alleen maar wordt geschaad.

In Lof van de stiefmoeder verhaalde Vargas Llosa hoe de perverse fantasie van een klein jongetje het bloeiende huwelijk tussen zijn vader en diens tweede vrouw op de klippen liet lopen. In het vervolg wordt die ontwikkeling omgekeerd terugverteld: de kleine Fonchito brengt de inmiddels gescheiden vader en stiefmoeder weer bij elkaar, al maakt hij ook daarbij gebruik van enigszins verdorven fantasieën. Het boek eindigt met een verzoening zonder kraak of smaak (of het moest de bekentenis van de stiefmoeder zijn nog altijd voor Fonchito's charmes te bezwijken), waarvan men zich afvraagt wat Vargas Llosa daarin heeft kunnen zien.

Het aardigst in het boek zijn de brieven waarin Fonchito's vader, don Rigoberto, zijn hedonistische beginselen uiteenzet en die bij elke episode zijn afgedrukt. Het zijn stuk voor stuk scheldbrieven tegen de hedendaagse verziekers van de sensualiteit, variërend van feministen tot bureaucraten, van ecologen tot pornografen. Een enkele keer vindt Vargas Llosa er zelfs zijn vroegere niveau in terug, bijvoorbeeld wanneer hij de erotische schoonheid van de (Aziatische) vrouwenvoet beschrijft of het onweerstaanbare koosnaampje 'mijn geliefde stoofschoteltje' uitvindt. Het zijn verloren parels in een afgelebberd boek vol voorspelbaarheden, dat we maar snel moeten vergeten. Het oeuvre van Vargas Llosa heeft beter verdiend.

    • Ger Groot