Jij kon het ook niet helpen, Marie van der Tang ;Psychiatrisch ziekenhuis Endegeest bestaat 100 jaar

Eind jaren dertig kreeg het gezin Wolkers een patiënte uit het psychiatrisch ziekenhuis Endegeest in huis. 'Een schrepel vrouwmens, lichtelijk gebocheld en met een mager gezicht dat danig ontsierd werd door vurig rode en ruwe zwellingen alsof het uit hanekammen aan elkaar gezet was.' Ze werd het eerste model van Jan Wolkers.

Ter gelegenheid van het symposium 'Terug naar Oegstgeest', bij het 100-jarig bestaan van het psychiatrisch ziekenhuis Endegeest (1897-1997).

Ophelia: O, what a noble mind is here o'erthrown!

Hamlet (Shakespeare) Als ik in Oegstgeest van mijn geboortehuis tussen de beide krankzinnigengestichten door naar mijn eerste school loop, verdool ik vaak in raadsels, die geen brein ontwart, om met Staring te spreken. Door het schril en klaaglijk schreeuwen van de pauwen heen hoor ik weer de barbaarse vloeken en verwensingen van de patiënten, onze geestelijk gehandicapte medemensen waar tegenwoordig in menig televisieprogramma zo schaamteloos mee gesold en geknuffeld wordt, maar die men toen gewoonweg krankzinnigen, idioten of plompweg gekken noemde. In grove manchesterpakken, kaalgeschoren tot op het bot zodat ze van een criminele uitstraling verzekerd waren want betaald voetbal had men toen nog niet, hielden zij zich met onduidelijke werkzaamheden op tussen gestruikte van hulst dat de bosgrond onder machtige eiken en beuken verduisterde tot donkergroene schaduwen. Soms ontwaarde je er spastische bewegingen of stijve harkerige handelingen met tuingereedschap die geen enkel redelijk doel leken te dienen maar die een geheimzinnig voorspel leken van onze eerste schrijflessen met de kroontjespen: een lange schuine haal op en een korte neer. Zinloze pagina's vol, alsof ettelijke passagiersschepen in de rimpelloze zee van de blauwe lijnen van het gelinieerde papier ten onder gingen. Hanepoten die verzonken in verveling. Een methode om de jeugd de beginselen van het schrijven bij te brengen waarvan we mogen aannemen dat die niet door Leonardo da Vinci bedacht is.

Ons schoollokaal keek uit over moestuinen waar de mannelijke patiënten tewerkgesteld werden, van wie je, omdat hun werkkleding aardkleurig was, alleen de kale hoofden zag als keien die traag bewogen. Vanuit de paviljoens werden ze aangevoerd, met stevig touw vastgebonden voor karretjes die ze, onwillig schuifelend met hun grote werkschoenen, voorttrokken. Je zag bij het passeren van zo'n grauwe groep ondermensen, als je met kinderlijke ontvankelijkheid keek, alle verschijningsvormen van het menselijk wezen. Filosofen bij wie de gedachten wegkwijnden tussen de diepe rimpels in hun voorhoofd, eunuchen met geslachtloze smoelen die hun drift kwijlend leken kwijt te raken, godsdienstwaanzinnigen die een religieuze extase uitstraalden alsof ze door El Greco vereeuwigd waren, likkebaardende viezeriken die in staat leken om met onverschillig welk voorwerp kreunend te cohabiteren, gedrochten met ontwapenende kindergezichten, fronsende bruten bij wie de geweldpleging in hersens van cement gestold leek.

Badkuipen

De vader van een van de jongens uit de klas was oppasser bij Endegeest en hij had dan ook vlak boven zijn oor de voor van een klief met een schop, zo diep, dat je er een timmermanspotlood in zijn volle lengte in zou kunnen onttrekken aan het gezicht. Van die jongen kwamen ook de verhalen over wat er allemaal in badkuipen vol troebel sap op de zolderingen van de paviljoens aan monstrums in leven werden gehouden. Wezens die in het foetusstadium waren blijven steken en als vleeskleurige zeepaardjes in lauwe melk dobberden, hun ogen die niet door hun huid hadden kunnen uitbotten als vage inktvlekken, doedelzakken van mensenvlees zonder ledematen, met een open schedel waaruit de hersenen als zeeanemonen naar buiten kronkelden. Maar toen we op een vrije woensdagmiddag tot zo'n zolder wisten door te dringen, hingen er alleen maar lakens te drogen waar we tussendoor slopen als door lanen van sneeuw. Alleen stond ergens in een uithoek een ouderwetse zinken badkuip waar zoveel stof in zat dat je er een muis uit had kunnen kneden.

Het is ook historische grond, die fraai beboomde laan tussen de gestichten door, die ik in mijn vroege schooltijd dagelijks tweemaal op en neer slenterde. De schoonheid van al die uit de grond gewrongen stammen verpletterde me zo dat ik maar al te vaak de schooldeuren gesloten vond zodat ik moest aanbellen en de zware gestalte van het hoofd der school, meester van der Meene, die met zijn grote gelaat en achterovergekamd haar sprekend op Gerrit Borgers leek, me opendeed en me met een niet onwelwillend bromgeluid naar mijn klas jaagde waar alle leerlingen al met de armen ijverig over elkaar verstijfd braaf zaten te wezen. Freud heeft hier gelopen, op bezoek bij professor Jelgersma, van wie ik de studie Over Waandenkbeelden in de oorlog toen ik op de Leidse Schilderacademie studeerde bij het antiquariaat Templum Salomonis gekocht heb. Ook Albert Einstein moet hier rondgedwarreld hebben, want het was een samenklontering van grote geesten tussen de armen van geest. En ik denk dat om die verschijningen, om die sfeer van genie en waanzin, mijn vader ertoe kwam om smalend op te merken, dat de hekken om die gestichten veel te nauw gezet waren. Later in de jaren dertig heeft vanuit zijn kamer op de eerste verdieping van hotel Het Witte Huis José Ortega y Gasset met zijn melancholieke Spaanse blik over deze beboste geestgronden gedwaald, als hij even pauzeerde tijdens het schrijven aan het Voorbericht voor Franschen bij de vertaling in het Frans van De Opstand der Horden.

In de oorlog werd de dichter Gerrit Achterberg in paviljoen Rhijngeest verpleegd, waar mijn jeugdvriend Jan Vermeulen hem wekelijks opzocht. Op zijn kamer had hij steevast een mand met eieren die hij van de boederij van zijn ouders kreeg. Maar ondanks de nijpende honger heeft hij er nooit een aan Jan Vermeulen gegeven. Zo verkwistend als hij was met woorden, op zijn eieren zat hij als een broedse kip, waarover Jan zei, met een variatie op het gedicht De Dichter is een Koe, de dichter is een kip. Op zekere dag had Achterberg hem vreemd aangekeken en gezegd, 'Jan, als de voorwerpen op tafel iets anders stonden zou ik je moeten doden. Want de lichtval is net zo.' Dat sloeg op het licht dat zijn kamer binnenkwam toen hij zijn hospita had doodgeschoten, over wie hij zei, toen Jan Vermeulen met de drukproeven van Morendo, de dichtbundel die hij clandestien voor hem ging uitgeven, bij hem kwam, 'Ze heeft niet te klagen. Ik heb een paar onsterfelijke gedichten op haar geschreven.' Gij gaf uw leven in mijn hand: / een vogel, vrij naar alle kant. / Waarom sloop in mijn arm de dood, / en sloot de vingers tot een knoop?

Gezinsverpleging

Toen tegen het einde van de jaren dertig de Tweede Wereldoorlog angstaanjagend dichterbij leek te komen met grensoverschrijdingen en boekverbrandingen, sloeg in ons gezin ook de vlam in de pan. In de krant had een advertentie gestaan van het psychiatrisch ziekenhuis Endegeest, waarin gezinnen gezocht werden waar patiënten konden worden opgenomen in zogenaamde 'gezinsverpleging' om zo weer aan het sociale leven in een normaal gezin te wennen. Natuurlijk hadden wij binnen de kortste keren een patiënte uit het gesticht in huis, want mijn vader schreef er meteen op. Uit financiële noodzaak en christenplicht, geen ongewone combinatie bij lieden die de leer van Calvijn aanhingen. En zo kregen wij een schrepel vrouwmens als huisgenote, lichtelijk gebocheld en met een mager gezicht dat danig ontsierd werd door vurig rode en ruwe zwellingen alsof het uit hanekammen aan elkaar gezet was. 'Kalkoentje', zoals mijn oudste broer zei. Maar de vrede, als die er al ooit geweest was, was voorgoed verdwenen. Het leek wel of het hysterische gebral van Hitler over de radio op sopraanhoogte in ons huis werd voortgezet. Mijn zuster die krijste dat ze haar verloving wel kon vergeten, omdat ze nu nooit meer haar vriend, die nogal een deftig karakter had dat in zijn grijze slobkousen zijn voedingsbodem leek te hebben, te eten kon vragen nu we iemand aan tafel hadden van wie het uiterlijk alleen al je alle eetlust benam en die met open mond zat te vreten als een beest zodat je de groente en aardappelen rijkelijk vermengd met speeksel door haar mondholte zag tollen. Ook mijn moeder, die van gegoede komaf was, zoals men dat indertijd noemde, kon de schande nauwelijks verdragen. En juist omdat mijn vader dagelijks het gekwelde schepsel met religieuze verontwaardiging moest verdedigen tegen pesterijen en andere goddeloosheden, ontstond er in haar een vileine jaloezie, alsof ze niet te doen had met een armzalig scharminkeltje maar met een van die oudtestamentische lellebellen van bijwijven die je tent binnendrongen en die je had te laten baren op je vruchtbare schoot, zoals in Genesis 30. Alsof mijn vader in de schaduw van haar menopauze voor zichzelf een herdersuurtje op het oog had.

Wat mijzelf betreft, ik moest tijdens de maaltijd naast haar zitten omdat ik, zoals mijn vader nogal eens opmerkte, ook een vieze eter was en eigenlijk in het gesticht thuishoorde omdat ik van tijd tot tijd van onverklaarbare woedeaanvallen tot jubelende bokkesprongen overging die mijn jongere broertjes en zusjes de stuipen op het lijf jaagden. Hij is nog met mij bij professor Waterink geweest, maar die zag geen aanleiding om me waar dan ook te laten opsluiten. Een min of meer normale Hollandse jongen met geestelijke groeistuipen. En dat was ook zo, want toen ik eenmaal ging tekenen vloeide al die ongerichte energie via mijn tekenstift naar het papier. En natuurlijk was mijn eerste model de patiënte van Endegeest, want die zat urenlang stil in niet-zijn verzonken. Ik moest dan wel net doen of ik de tuin door de serreramen achter haar in beeld bracht, want als ze door had dat ze vereeuwigd werd zei ze ineens bits, zonder van haar staarpunt op te kijken, 'Ik ben niet zo mooi, hoor. Ik ben niet zo mooi.'

Midden in de oorlog is ze, omdat mijn moeder haar distributiebonnen voornamelijk gebruikte om haar eigen kinderen te eten te geven en ze zelfs de kans niet meer kreeg om de korsten uit de pannen te graaien omdat mijn zuster die meteen in de soda zette, in een staat van verregaande ondervoeding naar het gesticht teruggehaald. Toen mijn moeder in de jaren zeventig op haar sterfbed lag is een van mijn zusters, nadat ze gehoord had dat de patiënte nog steeds in leven was, bij haar om vergeving komen vragen. Of ze die gekregen heeft betwijfel ik sterk, want ik heb haar in al die jaren dat de gezinsverpleging voortwoekerde nooit op een vraag een antwoord horen geven.

Liefdeloosheid

Toen ik in 1958 over deze situatie het verhaal Gezinsverpleging schreef, dat samen met andere verhalen in 1961 werd uitgegeven onder de titel Serpentina's Petticoat, kreeg mijn uitgever van de inspecteur voor Zuid-Holland en Zeeland voor de geestelijke volksgezondheid een schrijven waarin hij eiste dat de bundel uit de handel zou worden genomen en het verhaal Gezinsverpleging eruit zou worden verwijderd, omdat de naam van de patiënte erin genoemd werd. In de eerste druk begint het verhaal inderdaad met, Jij kon het ook niet helpen, Marie van der Tang. Toen ik het in 1958 schreef leek die hele geschiedenis zo ver weggezakt in de mist van het verleden, dat het niet in me opgekomen was dat ze nog in leven kon zijn, waaraan ook de fysieke staat waarin ze verkeerde toen ze door het gesticht bij ons weggehaald werd, zal hebben meegewerkt. Trouwens, wie zou er een betere naam hebben kunnen verzinnen dan haar eigen naam voor iemand die zo in de mangel der liefdeloosheid terechtgekomen was.

In 1942, toen ik op de Leidse Schilderacademie Ars Aemula Naturae ging studeren, was daar nog maar één leerling, Herman de Voogd. De rest was ondergedoken of had zich aangemeld bij de Germaanse SS en was naar het Oostfront vertrokken, want mijn leermeester Bouwmeester ontpopte zich als officier bij de Landwacht en de hele academie bleek, voor de leegloop naar de Russische steppen, een broeinest van fascisme te zijn geweest. Ook Herman de Voogd liep met een driehoekig NSB-speldje op zijn revers, hoewel hij op de rand van wat men toen 'ontaarde kunst' noemde schilderde en volgens Bouwmeester beslist een tijd in Endegeest verpleegd zou moeten worden. Hij maakte voornamelijk stillevens met schedels en brandende kaarsen, die op het eerste gezicht vrij normaal leken maar als je goed keek zag je dat ze in geëxalteerde haast geschilderd waren alsof Dracula zijn tanden in zijn scrotum had gezet waardoor de voorwerpen leken te schreeuwen van angst. Toen de academie in de herfst van 1944 gesloten werd omdat de ondergang nabij leek, verloor ik hem uit het oog. In de hongerwinter kwam ik hem ineens weer tegen in de doodse eenzaamheid van de Leidse Hout, die een slagveld van stronken was omdat de meeste bomen in woeste onregelmatigheid gekapt waren door de hongerende bevolking van Leiden. Hij zag er verwilderd en vervuild uit, met zijn gezicht en handen onder de broodschurft, maar hij had, hoewel zijn vingers etterend opgezwollen waren, een prachtige tekening gemaakt van de verlaten boerderij van Bremmer. Toen hij die tekening aan mij wilde geven, zei ik dat ik hem wilde kopen. Maar dan op afbetaling. Hij schreef er toen op, onder een Frans gedicht: 10.000 jaar 2 ct in de week.

Microbe

Bij de bevrijding is hij opgepakt en door de lafhartige buurtbewoners geschopt en geslagen terwijl hij door de BS afgevoerd werd. In het kamp begreep men al gauw dat hij daar niet thuishoorde en zo is hij in Endegeest terechtgekomen. Toen ik hem daar opzocht in het begin van de jaren zeventig had hij een kamer in een barak vlakbij kasteel Endegeest, waar in de zeventiende eeuw, van 1641 tot 1643 René Descartes gewoond heeft wiens credo Cogito ergo sum was. Denken en zijn in evenwicht. Maar De Voogd had te veel nagedacht en was tot de slotsom gekomen dat hij op de hoofdhuid van Rembrandt in een universum zo groot als een zandkorrel een microbe was die de Nachtwacht schilderde. Hij barstte bijna uit zijn manchesterpak met ongezond vlees dat bolstond van de tranquillizers, omdat er bij de medische staf kennelijk geen dokter Gachet aanwezig was die hem aan het schilderen had kunnen houden. Ik had een bandrecorder meegenomen om ons gesprek op te nemen maar zijn stemgeluid was zo laag dat toen ik thuis de band afdraaide na iedere vraag van mij er alleen maar een vaag gemompel hoorbaar was, of iemand tastend in het donker zijn weg probeerde te vinden. Toen ik, met de huiver van die levenloze vlezige afscheidshand nog in de mijne, naar de uitgang reed stond hij ineens bij de poort. Hij moest als een waanzinnige door de struiken gerend zijn. Het was of hij met vleugels geleend van Icarus zo uit de lucht was komen vallen. Toen hij mijn verwondering die eerder ontsteltenis was, zag, stak hij zijn hand omhoog met een slimme grijns als een jongen die iedereen in de maling heeft genomen.

Het laatste dat ik van Marie van der Tang vernomen heb is dat ze de godganse dag, omdat onze familienaam enige bekendheid heeft gekregen in de loop der jaren, zat te mompelen, 'Ik heb bij Wolkers gediend. Ik heb bij Wolkers gediend.' Het was net een aanhoudend schietgebed. Als ze dat volhoudt tot aan de hemelpoort zal Petrus beslist tegen haar zeggen, 'Daar weten we hier alles van, nietig schepsel. Loop maar door, treed maar binnen. Zalig zijn de armen van geest, want zij zullen God zien.'

    • Jan Wolkers