Het Vondelpark, mijn erf; Fotografen portretteren Amsterdams stadspark

Uit de huizen rondom fotografeerde Harold Strak met een panorama-camera het Amsterdamse Vondelpark. Zijn verbluffende parkportret is onderdeel van een boek vol foto's, proza en poëzie, een lofzang.

Ode aan het Vondelpark. Uitg. Bas Lubberhuizen i.s.m. D'ARTS, Amsterdam. Prijs ƒ 147,50 (2 geb. delen in cassette: ƒ 250.).

Negen was ik en het woord 'Vondelpark' hoorde ik voor het eerst. We gingen er naartoe, mijn vader en ik. Middenin het gras stond een paarse reuzenstoel, waar hij me, de armen bijna boven zijn macht, bovenop tilde. Vervolgens liep hij weg, ver weg: haha, je kunt er niet af. Het wilde er niet al te snel bij hem in dat mijn paniek serieus was. Mij kostte het ruim tien jaar eer de term 'Vondelpark' niet langer horror opriep, maar de warmte van de zon op het terras van het Melkhuis. Weer later kwam het goed tussen het park en mij, toen ik het Filmmuseum had ontdekt, met dat geniale adres: Vondelpark 2.

Die paarse stoel was geen instrument om kleine meisjes mee te plagen, maar een kunstwerk van Wim T. Schippers in een grote tijdelijke beeldentuin. Om het honderdjarig bestaan van het Amsterdamse park te vieren was die in 1965 georganiseerd door Stedelijk Museumdirecteur Willem Sandberg, met werk van kunstenaars als Zadkine, Picasso, Moore, Calder en Appel. Opzet en effect van de tuin staan, net als bijvoorbeeld het roodborstjes-project van Jan Dibbets, beschreven in Ode aan het Vondelpark, het tweedelige boek dat 'kunsthistorisch advies- en organisatiebureau D'ARTS' deze week heeft uitgebracht.

Ode aan het Vondelpark is een weelderig tweeluik, opgezet om het Vondelpark in kaart te brengen en wel in volle glorie. Met proza en poëzie. Met een beschrijving van allerlei facetten van de geschiedenis van het park, met een uitputtende opsomming van flora (madeliefje, roze winterpostelein, hondsdraf enz.), vlinder- en insectenwereld (o.m. het Deens richelpissebedje en de grauwe wegmier).

En met foto's. Heel veel foto's van heel veel fotografen, die elk het Vondelpark blijken te claimen als hun persoonlijke erf. Er zijn er die het parklandschap confisqueerden, Matthijs Schrofer in de ruimte, Leo van Velzen grofkorrelig geconcentreerd op een junk, Leo Divendal per vage boom. Pieter Oosterhuis legde in 1870 zí parklandschap vast: kaal en strak bakent de jonge aanplant de paden van het park af en de bocht in de vijver is spichtig. In de winter van 1897 liep er een anonieme fotograaf door het park: zwarte bolhoeden gaan in conclaaf met de bolle blanke sneeuw op bankjes en stammen. De foto's overspoelen je, alles des parks is er. Het spartelbadje volgens de gevaarlijk-heldere Esther Kroon, de oude mannen van Ad Nuis, Ad Windigs hippie-slapers (een en al slaapzakbult in de heldere vroegte), de punkkopjes in de lens van Marjolein Huizer. De dieren: de lama in de ochtend-weide, de zwanen. De verwilderde halsbandparkieten zijn door Jan Boeve gefotografeerd of ze zich, een en al staart en vleugeltjes, bevinden in een exotische jungle. En het voornaamste: de honden. Springend naar een stok. In de sloot. Groot en zwart en in volle vaart. Ontroerend petite, in een rood jasje met stoeigrasjes. De mooiste hondenfoto maakte Hylke Schoot: een wit gevaarte-tje, zo geestdriftig dat hij zijn werkelijkheid verloor aan zijn spiegelbeeld in de plas onder zich. Alleen één achterpoot staat nog, spatscherp, in onze wereld.

Rolstoel

Ode aan het Vondelpark begon aan de rand van het park, waar Rob van Zoest, een van de twee D'ARTS-directeuren, twee jaar terug een hele stralende zomer verbleef in een revalidatiecentrum en weinig anders te doen wist dan vanuit zijn rolstoel het leven in het park in zich op te nemen. Het ging verder: van kijken kwam beminnen en vanzelf ontstond een idee voor een boek. Niet zomaar een boek, een adorerende verklaring moest het worden, een lofzang.

Willem van Zoetendaal, onvermoeibaar promotor van de fotografische kunst, kwam op ziekenbezoek en deed mee. Hij begon te speuren in archieven en benaderde bekende en minder bekende hedendaagse fotografen, zonder wier blik het boek over het park volgens hem incompleet zou zijn. Van Zoest, terug aan zijn bureau, nog altijd ziek, maar gelukkig wel weer in staat om te werken, bedacht wat er allemaal te lezen zou moeten zijn in zo'n boek. Hij vroeg schrijvers en wetenschappers om bijdragen en zette het project financieel op. Een van de beoogde sponsors liet zich niet lang bidden: hij had immers in het Vondelpark leren lopen.

Fotograaf Harold Strak werd aangezocht voor het visuele leeuwendeel: hij moest het park portretteren, niet met foto's van bosjes en bruggen, maar met fotografische grenspalen, die hij maakte vanuit de huizen en panden die het park als hun achtertuin mogen beschouwen. Hij tekent met zijn foto's de omtrek van het park, niet alleen de buitenrand, ook binnen, met flarden van de interieurs die het omperken. Strak (38) is een liefhebber van oude technieken, iemand die graag experimenteert. “Ik wil dat de camera zelf kijkt. Die ziet veel meer dan wij kunnen zien.”

Voor het Vondelpark-project koos hij voor het brede, gerekte beeld van de panorama-camera: “Panorama vraagt om afstand, kleinbeeld is agressiever en daarom nadrukkelijk intiem.” De techniek maakte hij zich eigen uit vergeten boeken. Eén film, slechts vier opnamen groot, per uitzicht stond hij zichzelf toe en hij koos steevast een lange belichtingstijd, want Strak wil een fotograaf zijn zonder voorbedachten rade en hij houdt er sowieso niet van om extra licht te maken. Hij arrangeerde noch regisseerde wat hij voor zijn lens kreeg. “Waarom zou ik? De panorama-foto heb je toch niet in je macht. De mens kijkt en detail, de panorama-camera globaal, die foto's nodigen je uit je blik heen en weer te laten dansen en op reis te laten gaan.”

Fietsend en kuierend nam Strak de randen van het park in zich op en koos zo'n vijftig ramen uit met een veelzeggend uitzicht. Op helder-bewolkte dagen belde hij aan, in de vroege en late winter, de bomen niet te bebladerd en niet te kaal. Kantoren gaven altijd toegang, maar tweederde van de panden van zijn keuze herbergde een particulier woonhuis. Klonk er een stem door de intercom dan wist hij dat hij er waarschijnlijk niet in zou komen. Kwam er iemand aan de deur dan was het pleit half gewonnen.

Zijn foto's tekenen een verbluffend beeld van het park. Woest en braaf, stemmig of lelijk, steeds is het volslagen anders en ze nodigen uit tot eindeloos turen. Dat is de bedoeling: “Zoals ik vroeger uit het raam van mijn oma keek”, zegt Strak. “Uren kon ik daar zitten, en maar invullen wat er was gebeurd, wat er ging gebeuren, voor iedereen en alles wat ik zag.”

Spook

Strak wijst op een uitgestrekt donker kamerlandschap dat zich verzet tegen het winterse licht van het park buiten, met een muziekstandaard en een blad met vaatwerk. “Hier woont een hoboïst van het Concertgebouworkest. Hij was aan het oefenen toen ik langskwam, een stuk voor hobo en het geluid van een natte vinger langs glazen water. Door het licht op die glazen werd deze foto een stilleven. Ik had dat niet gezien toen ik hem maakte. De camera wel.” Een andere foto bleek ineens, in een hoek, een grote prijzenkast te bevatten (“daar woont een voormalig zwemkampioene”), weer een andere bliksemt scherp met zijn licht van raam naar vensterbank naar tafel: “Zorro. Dat komt niet van mij, dat vertelt de foto”. Er is ook een foto met een spook, een spook met een schort voor. Tijdens de twee minuten belichtingstijd kwam er een bejaarde vrouw binnen. Ze waste iets om en liep weer weg: de camera registreerde een transparante schim aan het aanrecht. “Cinema, proza, ze vertellen een causaal verhaal. Maar een goeie foto schiet tijdpijlen af”, vindt Strak. “Hij lanceert je heen en weer, naar alle kanten, met je ogen en met je hersens.”

Tijdpijlen. Ode aan het Vondelpark zit er vol mee. Een foto van een politiehondentraining uit 1927 laat zien dat honden niets veranderd zijn, en de mensen ook niet. En die foto van Ed van der Elsken, met de rock 'n' rollende meisjes - je neemt vanzelf aan dat het hier om de jaren vijftig gaat. Tot je oog in verwarring raakt van allemaal kleine eigentijdse elementen. 1955 is 1983.

    • Joyce Roodnat