God houdt niet van praten; Stanley Kubrick (1928)

John Baxter: Stanley Kubrick, A Biography. Carroll & Graf Publishers, 384 blz. ƒ 39,95

Ten tijde van The Shining (1980) deed een grap de ronde. Steven Spielberg gaat dood en komt bij de hemelpoort. Daar wordt hem de toegang geweigerd. 'God houdt niet van regisseurs', krijgt hij te horen. Op dat moment fietst een mannetje in een oude spijkerbroek en een corduroy jasje voorbij. Zegt Spielberg: 'Maar is dat dan niet Stanley Kubrick daar?' Petrus werpt een zorgelijke blik op de fietser. 'Nee. Het is God. Hij denkt alleen dat ie Kubrick is.'

Intussen lopen hier in het ondermaanse de meningen nog uiteen: is Kubrick God of niet? Malcolm McDowell, de hoofdrolspeler uit A Clockwork Orange (1971) zegt: 'Hij is een genie, ik heb mijn twijfels bij zijn menselijkheid'. Peter Sellers, die vier hoofdrollen in Dr. Strangelove voor zijn rekening nam, is stelliger: 'Kubrick is a God, wat mij betreft.'

Veel mensen komen in John Baxter's Kubrick-biografie met de God-vergelijking op de proppen. Nu is een regisseur op zijn filmset altijd een beelden scheppende god, maar Kubricks goddelijkheid gaat verder. Zonder een spier te vertrekken luistert hij naar acteurs, producenten, cameramensen en setontwerpers die ontevreden op hem inpraten, en gaat vervolgens zijn eigen gang. Ook aan de eis van alomtegenwoordigheid lijkt Kubrick te voldoen. Er zijn bioscoopexploitanten in onbeduidende plaatsjes in de Verenigde Staten die midden in de nacht gebeld werden. Ze hoorden een stem die zei dat hij Kubrick was - maar er zijn er meer die dat beweren - en dat de projector in zaal 1 waar zijn film draaide, niet goed afgesteld was. 'Morgen komt er iemand langs om het euvel te verhelpen'. Hetgeen geschiedde. Er zijn ook berichten over een op handen zijnde terugkeer, en als laatste aanwijzing voor Kubricks vermeende goddelijkheid valt te melden dat de mensheid uiteenvalt in drie groepen: zij die hem niet kennen, zij die in hem geloven, en zij die hem negeren omdat ze hem koud en humorloos vinden.

De in Parijs woonachtige Australiër John Baxter schreef eerder biografieën van Federico Fellini, Orson Welles, Luis Buñuel en Steven Spielberg. Baxter is een begaafd stilist, maar zijn nieuwste onderwerp zadelt hem op met twee praktische problemen. In de eerste plaats houdt Kubrick niet van psychologiseren of uitleggen. En sinds zijn naam als regisseur gevestigd is, is hij bezig met een terugtrekkende beweging uit het publieke leven; Kubrick is inmiddels een schijnbaar paranoïde kluizenaar, over wie vooral geruchten gaan.

Van medewerkers aan zijn eerste filmproject sinds 1987, Eyes Wide Shut, wordt absolute geheimhouding geëist. Uiteraard vergroot dat slechts de geruchtenstroom. Op het Internet zijn er al vele sites aan gewijd. Er is weinig méér bekend dan dat film nu al een jaar vertraagd is, en de hoofdrollen voor Tom Cruise, Nicole Kidman en Jennifer Jason Leigh zijn. Het zou gaan over een psychiater-echtpaar dat affaires heeft met patiënten. Cruise zou moeite hebben met de vele naaktscènes.

Al in het voorwoord van zijn boek meldt Baxter dat kennissen van Kubrick hem vooraf waarschuwden dat niemand met hem zou willen praten. Nu schrijven biografen dit bijna altijd, en het bleek mee te vallen. 'Interviews van tien minuten werden monologen van meer dan drie uur waarin mensen huilden en lachten - nou ja, meestal huilden eigenlijk.' Hij wil maar zeggen, het ophalen van herinneringen aan Kubrick is een emotionele gebeurtenis.

Kubrick werd geboren in 1928 in the Bronx, New York als zoon van een huisarts van joodse afkomst. Op zijn zestiende gaat hij van school en op zijn zeventiende is hij staffotograaf van het tijdschrift Look, waar hij zich een plek verovert tussen geharde misdaadfotografen. In 1950 geeft hij de brui aan het fotograferen om zijn eerste film te maken, de boksdocumentaire Day of the Fight. Het zijn de jaren die Kubrick zullen vormen. Hij woont in Greenwich Village, luistert naar jazz, leest, gaat naar de film. En hij schaakt veel op Washington Square, deels om zijn eerste speelfilm te bekostigen. Voor zijn debuut Fear and Desire (1953) doet hij alles zelf behalve het acteren. Vanaf The Killing mag hij zich verheugen in de belangstelling van critici en een groeiende schare bewonderaars die onder de indruk raken van zijn enorme vermogen beelden te vinden bij actuele thema's.

Na Spartacus (1960) begint Kubrick aan een decennium waarin hij een ongeëvenaarde serie speelfilms maakt. Zonder missers tussendoor, met een enorme thematische variatie; actueel en vol beelden die zich in het geheugen van de kijker vastzetten. Van de lolly zuigende Lolita die over haar hartjesbril naar Humbert Humbert opkijkt, de war room in Dr. Strangelove or How I Learned to Stop Worrying and Love the Bomb, de montage van het wapen dat de oermens de lucht in gooit en verandert in een ruimteschip in 2001, A Space Odyssey, tot de groepsverkrachting in A Clockwork Orange. Na 1971 maakte Kubrick nog maar drie speelfilms. Goed genoeg om zijn reputatie in stand te houden. Maar te weinig en te traag gemaakt om een stempel op de tijd te drukken.

Baxter schreef een biografie waarin hij de zaken vlot en onderhoudend op een rijtje heeft gezet. Kubricks zoektocht naar materiaal, het verslijten van (co)scenarioschrijvers en researchers, hoe hij cast en crew in bedwang houdt, de anekdotes over zijn perfectionisme. Bovendien doet hij een aantal minder bekende zaken uit de doeken, zoals over zijn bemoeienis met Marlon Brando's One-Eyed Jacks en over een niet gerealiseerde film over Napoleon.

De vele mensen die Baxter interviewde, praten via een omweg vooral over zichzelf. Ze lijken Kubrick als een spiegel te hebben ervaren, en Kubrick zelf houdt te veel van zijn privacy om een biograaf medewerking te verlenen. Baxter zegt het niet, maar hij heeft het waarschijnlijk niet eens geprobeerd. Hij moet dus naast de interviews vooral leunen op Kubricks oeuvre en opcircumstantial evidence.

De kluizenaar Kubrick houdt bijvoorbeeld niet van autorijden. Vliegen doet hij helemaal niet. Hij houdt wel van techniek. Hij bezit een Porsche, maar ingewijden beweren dat hij daar nooit harder mee heeft gereden dan zestig mijl per uur, en dan nog op de oprijlaan. Hij omringt zich met de modernste technische snufjes. Hij gebruikt ze ook, maar zal zijn leven er nooit aan toevertrouwen.

Stanley Kubrick is een liefdevolle vader voor zijn dochters en toegewijd echtgenoot voor zijn derde vrouw Christiane. De rest van de mensheid schijnt hem koud te laten. Zijn psychologische interesse beperkt zich voornamelijk tot de uitwassen. Gewelddadigheid en kwaadaardigheid lijken hem als afstandelijk pessimist te boeien en bijna te amuseren. Paths of Glory (1957) en zijn laatste film tot nu toe, Full Metal Jacket (1987), tonen de hypocriete zwakzinnigheid van militaire conflicten, maar niet het menselijke drama. Kubrick wantrouwt bovenal de maatschappij en haar instituten.

Stanley Kubrick houdt niet van zinnen, zoals de Britse criticus Gilbert Adair ooit opmerkte. Toen Kubrick in de jaren vijftig in New York ongeveer alle films zag die er werden uitgebracht, ging hij volgens een vriend ogenblikkelijk een krant lezen wanneer er meer dan drie zinnen dialoog waren. Van de damesromanscliché's van Shelley Winter in Lolita ('I'm a lonely and passionate woman...'), het woordeloze eerste half uur van A Space Odyssey, het door Anthony Burgess bedachte jeugdjargon van A Clockwork Orange (1971) tot Full Metal Jacket, waarin taal gereduceerd wordt tot scheldpartijen en marsliedjes. In al zijn films is duidelijk dat Kubrick taal wantrouwt.

Baxter presenteert zulke inzichten als sleutels tot Kubricks ziel, maar die blijft voor ons gesloten. Uiteindelijk komt dit boek zo niet voorbij de onderhoudende filmografie. Echt dubieus is hooguit dat Baxter er niet in slaagt aan te tonen dat Kubrick níet God is, of vice versa. Er zou een film bij het boek geleverd moeten worden, waarin langzaam wordt ingezoomd op de zwarte ogen van Stanley Kubrick. Eyes Wide Shut.