Expositie toont oorsprong van geld

Economen denken dat geld ooit is uitgevonden, maar de Moneta Exotica in Leiden toont dat het op veel verschillende manieren is geëvolueerd.

Moneta Exotica, Oorspronkelijk geld uit de hele wereld, tot en met 29 augustus 1998 in Het Koninklijk Penningkabinet, Leiden. Openingstijden: dinsdag-vrijdag 10.00-17.00 uur (donderdag tot 21.00 uur), zaterdag en zondag 12.00-17.00 uur.

LEIDEN, 21 NOV. De bewoners van Yap, een eilandengroep ten oosten van de Filippijnen, voeren met kano's driehonderd kilometer om geld te halen. Op Palau ruilden ze hun kralen voor platte, ronde stenen met een gat in het midden. Hoe groter de steen, hoe hoger de waarde; met steengeld van een meter hoog kon de eigenaar op Yap een bruid en wat varkens kopen.

Tijdens de terugtocht ging wel eens een steen overboord. Een jammerlijk verlies voor de eigenaar, die graag had willen pronken met zijn aanwinst, maar het had geen financiële gevolgen. Zijn kapitaal op de bodem van de Grote Oceaan werd op de eilandengroep nog steeds geaccepteerd als betaalmiddel. De steen kon jarenlang van eigenaar wisselen zonder dat iemand hem ooit zag.

Een replica van een Yap-steen hing boven het hoofd van minister Pronk van Ontwikkelingssamenwerking toen hij onlangs Moneta Exotica opende, een tentoonstelling van Het Koninklijk Penningkabinet in Leiden. Gastconservator Pierre van Erve, econoom van de Nederlandsche Bank in Amsterdam, heeft zo'n vijftig voorbeelden van 'oorspronkelijk geld' uitgekozen, voornamelijk uit Oceanië, Micronesië en Afrika.

Wat was geld voordat munten en bankbiljetten gangbaar werden? Volgens Van Erve is hierover weinig bekend. “In Europa is nauwelijks oorspronkelijk geld gevonden, het muntstuk is hier al eeuwenlang in gebruik.” De objecten van Moneta Exotica komen voornamelijk uit gebieden die relatief laat Westerse gewoonten overnamen.

Op New Britain in Papoea Nieuw Guinea kan met een diwara, een ketting van kleine Nassaschelpen, nog steeds worden betaald. Twaalf schelpjes zijn ongeveer een dubbeltje waard. De plaatselijke bevolking betaalt net zo lief met schelpjes als met modern geld. Niet zo verwonderlijk, vindt van Erve, want de diwara is óók een handig betaalmiddel: makkelijk mee te nemen, lang houdbaar en moeilijk te vervalsen.

Het belangrijkste verschil tussen oorspronkelijk geld en modern geld is de gangbaarheid. Met oorspronkelijk geld kon men niet álles kopen. Op New Britain bijvoorbeeld was de tuali, een parelmoerschelp, het geld voor bruidschatten, op de markt kon niemand ermee betalen. In het Penningkabinet zijn objecten te zien die “in een bepaald betalingsverkeer voor meer dan 50 procent gangbaar waren”. Een vage voorwaarde; Van Erve geeft toe dat de selectie voornamelijk natte-vingerwerk was. “Een sluitende definitie van geld bestaat niet.”

Van Erve wil met Moneta Exotica vooral laten zien hoe geld is ontstaan. “Economen doen vaak alsof geld even is uitgevonden, maar geld is op duizend verschillende manieren geëvolueerd. Binnen elke cultuur op een andere wijze.”

Zo ontstond geld omdat het de ruilhandel vereenvoudigde: geld gaf een waardestandaard aan, alle producten werden omgerekend naar deze norm. Het oudste handelsgeld was het rund. Weliswaar circuleerde in Noord-Europa rond 3000 voor Christus een koe niet als een bankbiljet, iedereen kende haar waarde en 'rekende in koeien'. Om de handel nog eenvoudiger te maken werd het rund gekoppeld aan een handzamer object, bijvoorbeeld aan een talent, een plat stuk ijzer in de vorm van een ossehuid en met de waarde van één os.

Toch heeft volgens Van Erve de ruilhandel weinig geldsoorten opgeleverd. Voordat handel kon beginnen moest er vrede zijn tussen de volkeren. En die vrede had altijd een prijs: losgeld voor gijzelaars, schattingen voor protectie, en bloedgeld voor rust. In Namibië kregen oorlogszuchtige stammen hasj-koekjes voor hun niets-doen. Het koekje werd later een gangbaar betaalmiddel.

Ook het huwelijk maakte geld noodzakelijk. In primitieve samenlevingen was een bruid het kostbaarste goed. Bruidegommen in Nieuw Guinea probeerden elkaar te overtreffen in de omvang van de bruidsschat. Geld maakte dit gemakkelijker. In 1900 werd een recordbedrag voor een vrouw betaald: zo'n tienduizend hondentanden (de valuta was toen hond, vier hondentanden waren één hond). “De bruidsschat was zo eigenlijk de motor van de gehele economie.”

Zelfs bij volkeren die nauwelijks handelden ontstond geld, voornamelijk door geschenkenruil. De Kwakiutl-indianen uit West-Canada hielden hiervoor een schenkingsfeest. Op het feest gaven de indianen elkaar cadeaus, maar niet zonder eigenbelang. De ontvanger was verplicht bij de volgende gelegenheid het dubbele terug te schenken. De 'ruil' was de stuwende kracht achter de productiviteit; de stam feestte vier keer per jaar.

Als betaalmiddelen gebruikten de Kwakiutl dekens en coppers (koperplaten met afbeeldingen van totemdieren). Wie veel dekens en coppers had, verdiende respect. Maar het openbaar verbranden van de dekens en het kapotslaan van de coppers - dat was ècht klasse. En met een gunstige bijwerking: het voorkwam inflatie. “Geldvernietiging”, zegt Van Erve. “Dat doen we bij de Nederlandsche Bank ook.”