Een schijn van authenticiteit

Tomas Lieske: De achterste kamer. Verhalen en beschouwingen. Querido, 168 blz. ƒ 45,-

In het titelverhaal van Tomas Lieskes debuut Oorlogstuinen komt een Duits pleegzusje voor met wie erge dingen gebeuren: ze wordt aangerand door een paar oudere jongens en misschien zelfs verkracht. In Lieskes nieuwe bundel verhalen en beschouwingen De achterste kamer maken we opnieuw met deze Rosemarie kennis, ditmaal in een autobiografisch verhaal. Een paar jaar na de oorlog werd zij negen maanden lang in het Haagse gezin Lieske opgenomen, en als we de schrijver mogen geloven heeft dit 'raadselzusje' zijn kijk op de werkelijkheid voorgoed bepaald.

Om deze stelling kracht bij te zetten associeert Lieske haar onder meer met de 'necessary angel' uit het gedicht Angel surrounded by Paysans van Wallace Stevens, de 'engel van de aarde', die de boeren uit de titel aankondigt dat zij via haar blik de wereld anders kunnen zien, buiten het geijkte menselijke perspectief om. Dat laatste is uiteraard een onmogelijkheid, maar wie zich eenmaal bewust wordt van het interpreterende karakter van onze blik, kan daar ook zijn voordeel mee doen. De werkelijkheid zal hij niet meer als iets vanzelfsprekends zien, maar als een gewillige prooi voor de verbeelding.

Een schokkend inzicht kan dit moeilijk worden genoemd. Zelfs in Nederland, waar het geloof in de realistische illusie nog altijd veel schrijvers in de ban houdt, is het tot menigeen doorgedrongen, getuige het zogeheten Revisor-proza van weleer, maar evengoed kan men denken aan werk van Bernlef en Schippers. Het heeft geresulteerd in een fascinatie voor dat wat zich juist buiten het eigen blikveld bevindt, voor zulke schimmige zaken als de 'tussenruimte' en de 'tussentijd', waarover Anthony Mertens naar aanleiding van Vogelaar heeft geschreven in zijn proefschrift Sluiproutes & Dwaalwegen. Dat raadselachtige 'tussen' is de ruimte waar de verbeelding zich kan ontplooien, desnoods in de gedaante van een 'noodzakelijke engel' of van een Duits pleegzusje.

Door dit poëticale principe te projecteren op een autobiografisch gegeven, probeert Lieske het zijn eigen leven binnen te schrijven. Maar de verbeelding, die zo naarstig wordt omarmd, schiet in de praktijk helaas tekort. Wat ontbreekt is het waarmerk van de authenticiteit, dat je toch bij zo'n autobiografische exercitie zou mogen verwachten. Dat is uiteraard in de eerste plaats een literair manco. Hoewel de zinnen vlekkeloos lopen, maken de geforceerdheid en opzichtigheid van de reconstructie dat je er toch niet in gelooft; je blijft merken dat de schrijver het allemaal achteraf heeft verzonnen. Waarom? Naar ik vermoed: om zijn verliteratuurde blik alsnog van de nodige zwaarte te voorzien en te maskeren dat het om een intellectueel inzicht gaat, niet zozeer afkomstig uit de werkelijkheid als wel uit de boeken.

Hetzelfde geldt voor zijn geclaimde (maar uit deze bundel verder nauwelijks blijkende) fascinatie voor wreedheid en sadisme, zijn 'zwarte kant', zoals hij het noemt, die wordt herleid tot zijn moeders gewoonte haar kinderen op de huiskamertafel van hun wormen te ontdoen. Een merkwaardige gewoonte zonder twijfel, maar Lieske maakt er meteen een psychologische les van, door uit te leggen dat hij, met ontblote billen op die tafel liggend, het gevoel had dat zijn moeder op zijn rug een 'zwart varken' aan het knopen was. In de rest van de bundel keert dat varken om de haverklap terug, als een symbool voor het duistere kwaad dat wij allen in ons meetorsen.

Net als de noodzakelijke engel Rosemarie en de 'achterste kamer' (waarin zij in huize Lieske placht te overnachten) dient dit varken als een leidmotief dat de bundel samenhang moet geven. Die samenhang is er beslist, en zelfs meer dan mij lief is, omdat zij via al die herhaalde symbolen telkens herinnert aan een autobiografische oorsprong die mij wantrouwig stemt. Het lijkt erop dat hier iemand bezig is zichzelf machtig interessant te maken, iemand die zich ergens - vermoedelijk terecht - omschrijft als een 'keurige burger' en die zich nu publiekelijk vertilt aan zijn eigen verlangen naar dramatiek.

Dat Lieske naar enig drama verlangt, laat zich overigens goed begrijpen. Want het Haagse verleden dat hij oproept heeft op zichzelf niets belangwekkends te bieden. Of het moest het gegeven zijn dat zijn ouders (vader Lieske had, zo lees ik, een schildersbedrijfje) zich graag wat deftiger voordeden dan ze waren en op die manier ook in sociale zin in een 'tussenruimte' verkeerden, tussen volk en hogere standen in. Was ik een naturalist, dan zou ik zeggen: de zoon heeft het dus niet van een vreemde.

Het pijnlijke van de zaak is dat Lieske elders in zijn bundel laat zien dat hij het ook gerust zonder deze opklopperij kan stellen, want De achterste kamer bevat wel degelijk een paar aardige, zij het ook weer niet opzienbarende beschouwingen. Lieske buigt zich liefdevol over de poëzie van Hillenius en Faverey, hij schrijft stimulerend over Tsjechovs Drie zusters en vooral over Vestdijks De held van Temesa, waardoor je meteen zin krijgt die historische roman te herlezen. Werkelijk bevlogen raakt hij zelfs in een stuk over Venetië, waarin hij de poëzie van Wilfred Smit soepel verweeft met het werk van verwante zielen als - wederom - Vestdijk, de negentiende-eeuwse Russische dichter Fjodor Tjoettsjev, Josef Brodsky en Kees Verheul. De verbeelding laat hem nu eens niet in de steek, wanneer hij dit gezelschap aan het slot even in een gondel voorbij ziet varen.

De meeste andere stukken maken daarentegen een nogal obligate indruk, zoals het essay over een foto die Wijnanda Deroo heeft gemaakt van een Indonesische hotelkamer, met daarop het zicht op een slechts gedeeltelijk waarneembare 'achterste kamer'. Over (bijna) hetzelfde onderwerp had ik al eerder Kousbroek gelezen, in diens zevende bundel anathema's De onmogelijke liefde. Ook de nostalgie naar de verdwenen Haagse Dierentuin, evenals de aandacht voor fotografie en voor de met verdwijning bedreigde diersoorten die Lieske wil behouden door ze de literatuur in te loodsen, roepen bij mij allerlei echo's wakker van andermans werk.

Bijna alle thema's die hij aanroert (de spanning tussen werkelijkheid en verbeelding, het herinneren, de tussentijd en de tussenruimte, het mijmeren naar aanleiding van foto's en fotografie) staan al zo lang op de literaire agenda, dat elke verrassing ontbreekt. En hoe ijverig Lieske ook zijn best doet, iets nieuws of eigens weet hij er niet aan toe te voegen, behalve de schijn daarvan.

    • Arnold Heumakers