Een ongewone leraar

Dit wordt een zéér ouwelijk stuk. R. van Cleeff, tachtigjarige chemicus te Arnhem, kwam op bezoek bij mij, vijfenzeventigjarige schrijver te Amsterdam. Hij had een fotokopie bij zich van een manuscript, De gezegden van Dr. W. Werff. Zo'n zestig jaar geleden had hij een boekje samengesteld.

Ik wist van het bestaan. Toen ik maanden geleden op deze pagina de lof zong van flauwiteiten meldde ik dat ooit een leerling van het Erasmiaans Gymnasium te Rotterdam de eigenaardige uitspraken van een conrector had geboekstaafd. Van Cleeff schreef mij dat hij die leerling was geweest. Dr. Werff, schreef hij, had enige invloed op hem gehad, en “'s mans bizarre uitspraken worden hier nog bijna dagelijks geciteerd.” Hij was “verreweg de merkwaardigste persoon die ik ooit gekend heb.”

Zo praatten Van Cleeff en ik een paar uur over het gymnasium van de jaren dertig. Tot echte uitwisseling van ervaringen kon het niet komen. Hij zat vele klassen hoger dan ik, en ik mislukte zo voorbeeldig dat ik op m'n vijftiende of zestiende, na de tweede klas te hebben gedoubleerd, van school ging. Ik verafschuwde de school, ik was doodsbang voor de school, ik kon niet leren. Mijn leven lang heb ik met huiver teruggedacht aan die puberteitsellende. Van Cleeff deed gewoon eindexamen en ging chemie studeren in Utrecht. “Het was geen prettige school” zei hij, zonder wrok. Ik heb mijn eigen onvermogen zo goed beseft dat ik aan wrok niet toekwam. De leraren hadden het beste met ons voor, denk ik.

Zo zaten we ons te herinneren, Van Cleeff en ik, noemden namen, toetsten onze observaties. Ik vergat er mijn afschuw door, tot mijn spijt bijna, ik voelde mij oud en mild.

Dr. W. Werff was leraar oude talen van 1914 tot 1936. Toen een meisje een domme vraag stelde liep hij zwijgend naar zijn tafel, ging eronder zitten, keek telkens voorzichtig om een tafelpoot heen en riep: “Is ze nog gevaarlijk? Is ze nog gevaarlijk? Zulke scènes voerde hij graag op.

Het beroemdst waren zijn uitspraken. Ook de leerlingen die geen les van hem hadden hoorden ervan. R. van Cleeff heeft ze genoteerd en in vijf rubrieken ondergebracht die hij, zoals een gymnasiast past, Latijnse titels gaf: Proverbia, Internomina, Exclamationes, Versiculi, Dicta diversa. Bij elkaar 930.

Ik heb ze gelezen, herlezen, er een keus uit gemaakt, en weet niet wat ik ervan vind. Ik stel me de duf geklede scholieren van toen voor, en herinner me ineens een leraar geschiedenis die het lokaal binnenkwam dat door de lerares Nederlands was verlaten. “Dat dikke mens is hier zeker geweest” riep hij, “Kleppen open, kleppen open.” Het waren misschien geen gelukkige leraren.

Dr. Werff berispte en vermaakte met zinnen als deze: “Je voelt je hersens gewoon in je benen zakken.” En deze: “Hij snapt er geen laars van, laat staan een baggerschoen.” En deze: “De worstenkokerij begint grenzeloos te worden.” En deze: “Dat is verschrikkelijk, daar is Goering heilig bij.” En deze, met een echt beeld: “Je schrijft als een slak die verhuisd is.” Hij doelde, noteerde Van Cleeff, op het slijmerig spoor dat een slak achterlaat.

Soms sprak hij in een taal die, later, door personages uit Marten Toonders strips had kunnen worden gebruikt: “De knofdoos zit te sabeldieren.” En: “Dat haal je de kaukauk, dat weet mijn olifant ook.” En: “Dat zit maar te knoeihannesen en gloeilampje spelen.”

Het zal de les verlevendigd hebben wanneer hij een falende leerling toevoegde: “Deze waanzin is alleen met kaarsvet te genezen.” Of: “Nou, ú kunt wel vogeltjes gaan vissen!”. Blijkbaar werkte Dr. Werff niet volgens repertoire. Hij verzon steeds iets nieuws, hij liet zijn taal royaal improviseren. Zou er wel gelachen zijn bij zijn onderwijs? Erg hartelijk zijn de grollen niet. Lach je wanneer iemand tegen je zegt: “Je bent wel zo indianenstom dat ik er gortig van word”? Of: “Het is vorstelijk van waanzin; in zoverre is het tenminste iets”?

Dit waren de “Proverbia”, de gezegden. De tweede rubriek, de “Internomina”, is nog minder hartelijk. Dr. Werff kon moeilijk op namen komen of deed alsof, zei dan iets onzinnigs, en “hoe heet-ie” en dan de echte naam. Je zou met zijn keuzes de verzamelde personages uit het oeuvre van F. Bordewijk kunnen benoemen. Ik maak een bloemlezing uit de 442 van Van Cleeff: Suikerneger, Platekoek, Schuifdoos, Sneeuwboom, Kotbewerker, Hoofdzeer, Koekhemd, Hoepelperk, Zeeslager, Soephark, Stoffelhoofd-knikworst-medemblik, Gordijnenwasser-slaappoeder-menger, Stoffel-runderkop, Spinazieslikker, Sleeskamer, Josefientje Haydn, De tijd van jut, Páárdedokkert, Meester Grobias, Tramboom, Schippertje in het zuurdeeg, Oudgediende drommedaris, De boze man van Juttekop, Vliegendoos, De heer Melkkoker, Rommelsuiker, Blaasinrichting-bloedhomerus, Laarzevat-ouwe suikerboterham, Snabeldepoepie, Boerekoffie, Kaflook, Spirabundel, Schietlaars, Koffervrouw, Zwemmelaar, Stofboter, Kiezer van de haan, Jongeheer Hannes de Doper, Fabrikoesie, Pleekokker, Spaardeken, Frambozenvrouw: “Hoe heet-ie”.

Volgens Van Cleeff was Dr. Werff allerminst gek, al ging het gerucht dat hij zich in de klas met krijtjes liet bekogelen, en hij was ook geen komiek. Zijn gedrag en zijn taal behoorden tot zijn natuur, hij stelde zich niet aan, hij was binnen en buiten de school dezelfde. Een keurige meneer om te zien en een degelijke leraar.

In de rubriek “Exclamationes” staan treffende uitroepen: “Ouwe schipperdokter, je bent ook een zwaardvechter.” En: “Onbruikbare pruimevegers!” En: “Deze man is lommerrijk.” En: “Je bent me ook een levertraanwortel.”

Er zijn nog rijmpjes en enig los spul, maar iets nieuws levert de lectuur ervan niet op. Bij het schrijven van dit stuk vroeg ik mij steeds af: Is dit leuk? Is dit leuk geweest en niet leuk meer? Is deze humor typisch lerarenhumor? Wat voor man was Dr. Werff? Hij bestaat in het geheugen van hoogbejaarden enkel en alleen in deze verschijningsvorm. Over de jaren dertig waren Van Cleeff en ik bitter: “Dat was niet de goede oude tijd.” We voegden eraantoe dat die nog steeds moest komen.

    • Alfred Kossmann