De smaak der Britse natie

John Brewer: The Pleasures of the Imagination. English Culture in the Eighteenth Century. Harper Collins, 721 blz. ƒ 109,30

De Engelse historicus John Brewer wijdt zich al decennia aan het achttiende-eeuwse Engeland. Na enkele studies over politieke en financiële aspecten, concentreert hij zich in zijn nieuwste boek op de cultuur. Sinds een aantal jaren houdt hij zich, als hoogleraar in de cultuurgeschiedenis aan het Europees Universitair Instituut in Florence, bezig met een eigentijdse variant op het consumentisme van onze generatie. Volgens hem bestond er in de vroeg-moderne tijd al een complexe interactie tussen de vrije markt en het koopgedrag van de mensen. De traditionele tweespalt tussen 'hoge' en 'lage' kunst bleef weliswaar voortbestaan maar tegelijk vond in toenemende mate kruisbestuiving plaats. Kunst werd een reeks van handelsartikelen die gewoon in de winkel konden worden gekocht.

Het was in het achttiende-eeuwse Engeland vooral de opkomende middenklasse, levend in materiële welstand, die de ontwikkelingen op cultureel gebied stuurde. Zij concentreerde zich in de steden en zocht naar nieuwe wegen om het bestaan te veraangenamen. Dit vroeg om initiatieven van de kunstenaar om zich aan te passen aan de wensen van een veranderende markt en zo kon er een hechte symbiose ontstaan tussen maatschappij, kunst, geld en cultuur.

De koopkracht van diezelfde middenklasse begon zelfs die van de traditionele opdrachtgevers van kunst - de kerk en het hof - te overtreffen. De kerk stond in Engeland bekend om zijn puriteinse karakter en speelde op cultureel gebied geen rol van belang, behalve op muzikaal terrein. Het koningshuis zat sinds haar restauratie in 1660 slecht bij kas. Kunst werd bovendien niet effectief ingezet als instrument van koninklijke waardigheid, in tegenstelling tot bij voorbeeld aan het Franse hof. De Engelse koninklijke familie concentreerde zich op een deugdzaam familieleven. In de loop van de achttiende eeuw kreeg zij in dit opzicht een voorbeeldfunctie voor de natie; de koning was er juist om de luxe excessen van de commerciële maatschappij tegen te gaan, in plaats van als smaakmaker te fungeren. Slechts George III was op een aantal kunstterreinen actief; hij legde de grondslag voor de kunstverzameling van de koninklijke familie, tegenwoordig de grootste privé-verzameling ter wereld.

Londen

Brewers boek speelt zich voor het grootste deel af in Londen, het politieke centrum van het land, een stad met 750.000 inwoners. Bovendien streefde Londen, dat ook al een machtig financieel centrum was, in de loop van de achttiende eeuw Amsterdam als handelscentrum van de wereld voorbij. De koopkracht van het land was er geconcentreerd en er ontwikkelde zich een modern stedelijk uitgaansleven.

Brewer gebruikt in zijn beschrijving vooral ego-documenten, in het bijzonder dagboeken. Ordening van de eigen gedachten op deze wijze kwam in de achttiende eeuw in Engeland tot ongekende bloei. Het werd gepropageerd als de methode om inzicht te krijgen in de eigen psyche. Het bijhouden van dagboeken had volgens Brewer alles te maken met 'the desire to shape a person's identity around ideals of politeness, taste and refinement'.

Culturele vorming verkreeg men echter vooral door deelname aan activiteiten buitenshuis. Voorop stonden daarbij de koffiehuizen, met ieder zijn eigen clientèle, of de exclusievere clubs. Deze gaven richting aan het sociale en het culturele leven van de (mannelijke) bezoekers, die elkaar op de hoogte hielden van de laatste toneelvoorstelling of eventuele schandaaltjes. Zeer invloedrijk waren de 'Kit-Cat club' aan het begin van de achttiende eeuw en 'Dr Johnson's Literary Club', opgericht in 1764. Terwijl de eerste vooral een instrument van vooraanstaande Whig-politici was om een meer algemene invloed uit te oefenen, dichtte de laatste zichzelf de specifieke rol toe van culturele smaakmaker. De leden ervan waren beroepsmatig met de diverse kunstsectoren verbonden: voorop de befaamde literator Samuel Johnson, de schilder Sir Joshua Reynolds en de romancier Oliver Goldsmith. Een aantal van de illustere leden zou, in het bijzonder op de terreinen van de dicht-, muziek-, en schilderkunst, standaardwerken schrijven en hiermee een culturele canon vastleggen voor toekomstige generaties.

Het aanbod in schouwburgen, concertzalen, openbare kunstcollecties, jaarlijkse schilderijententoonstellingen, de zogeheten 'pleasure gardens' (een soort kruising tussen een lusthof en een themapark) was overweldigend. Geleidelijk ontstond een vast patroon, bestaande uit verschillende elementen: de 'London season' was geboren. Het programma was overigens minder belangrijk dan de sociale verplichting tot het bijwonen ervan en bovenal het observeren van elkaar. Cultuur werd een middel om de eigen status te bevestigen. Die geweldige expansie van de cultuur en vooral de hoeveelheid informatie - niet alleen boeken, tijdschriften en voorstellingen, maar vooral ook het commentaar van de critici - zette de 'refined person' behoorlijk onder druk. De groei van het publiek betekende bovendien dat veel nieuwkomers onbekend waren met het 'op de juiste wijze' van cultuur genieten, hoewel ze er financieel toe in staat waren.

Dit alles werd dan ook niet overal toegejuicht. In menig commentaar werd gememoreerd dat er weliswaar meer van alles was maar dat dit minder van kwaliteit leek te zijn geworden. Men had vooral zorgen over de trivialiteit van sommige literatuur en de mogelijke verderfelijke invloed ervan. De fascinatie van de lagere klassen voor criminaliteit bijvoorbeeld verontrustte de autoriteiten; over menig op te hangen 'highwayman' verscheen vlak voor zijn executie nog een gedetailleerde (auto)biografie, waarin zijn misdaden in geuren en kleuren uit de doeken werden gedaan.

Connaisseurs

De oude opvatting over cultuur als een vertrouwd geheel van vaste waarden moest gedeeltelijk plaats maken voor een nieuwe, heterogene wereld waarin hoge, lage en commerciële cultuur naast elkaar stonden en elkaar beïnvloeden. Steeds duidelijker werd dat cultuur geen vaste waarden meer kende maar een dynamische wereld vormde van fluctuerende en aan verandering onderhevige grenzen.

Brewer heeft vooral oog voor de uitgeverswereld, de schilderkunst en de theaters, die elk met een eigen deel zijn bemeten. Voorop plaatst hij de grote verandering die de uitgeverswereld onderging: van een in Londen geconcentreerde en door monopolievorming gekarakteriseerde huisnijverheid, naar een 'industrietak' op nationaal niveau. Debet aan die verandering was de explosie in de vraag; bovendien daalden door mechanische innovatie de drukkosten aanzienlijk. Uitgevers kwamen met nieuwe initiatieven, zoals de periodieke pers en op maat toegesneden magazines. Boeken bleven desondanks duur maar dit werd gedeeltelijk verholpen door het ontstaan van de eerste openbare bibliotheken.

In de kunstwereld ontspon zich een strijd over de vraag wie gerechtigd was een uitspraak te doen over het morele gehalte van schilderijen (en daarmee de onderwerpskeuze): konden de 'professionals' op gelijke voet komen met onafhankelijke critici en rijke connaisseurs? De laatsten hadden zich verenigd in een club voor aristocratische liefhebbers, de 'Dilettanti Society', opgericht in 1734. Zij propageerden vooral het ideaal van de klassieke kunst zoals dat tot uitdrukking kwam in hun Grand Tour en omvangrijke privécollecties. Voor de buitenwacht stonden zij echter beter bekend als een stel drinkebroers, berucht om hun seksuele activiteiten. Ook in hun kunstsmaak waren zij tevens gehecht aan een zekere 'erotisering' van het onderwerp, soms tot in het absurde als Richard Payne Knight's An Account of the Worship of Priapus (1786). Dit geleerde werk bevatte een uitvoerige beschrijving van de aanbidding van de fallus door de eeuwen heen. Het zal dan wellicht niet verbazen dat de schilders, zeker sinds de oprichting van de Royal Academy (1768) en onder de bezielende leiding van haar eerste president, Sir Joshua Reynolds, hun respectabiliteit zagen toenemen en uiteindelijk het pleit wonnen. Verheffende, historiserende kunst zou voortaan het doel dienen te zijn, hoewel dit in de realiteit nog maar al te vaak achterbleef bij meer gemoedelijkere afbeeldingen.

Provincies

De populairste kunstuiting vormde het toneel, waar de popsterren van de achttiende eeuw optraden, met als grote voorbeeld David Garrick. De autoriteiten beseften de reikwijdte van het toneel goed. De stukken werden gecensureerd op politieke onwelgevalligheden en het aantal theaters in Londen werd beperkt tot twee. Het theater stond in een slecht daglicht doordat het gesitueerd was in armoedige, door misdaad en prostitutie geteisterde achterbuurten. Het verband tussen theater en prostitutie was zelfs zo expliciet dat er jaarlijks een gids verscheen, Harris' List of Covent Garden Ladies, met beschrijvingen van de diverse gewillige vrouwen. Het meest wonderbaarlijke - en gevaarlijke - van theater was wel de samenstelling en het gedrag van het publiek. Dit vormde een doorsnee van de samenleving en becommentarieerde het spel luidruchtig met bijval of boe-geroep. Het potentieel voor oproer was dan ook nergens zo groot als in het theater.

Het laatste deel van het boek gaat over de wisselwerking tussen Londen en de overige provincies in Engeland. Het idee dat cultuur de natie verenigde werkt Brewer niet helemaal overtuigend uit in mini-biografieën van drie in oorsprong provinciale kunstenaars: Thomas Bewick, John Marsh en Anna Seward. Deze graficus, amateur-musicus en schrijfster onderhielden met het mondaine Londen slechts contact door middel van briefwisselingen. Dit weerhield hen er niet van grote invloed uit te oefenen, een teken dat vanuit Londen niet alleen cultureel eenrichtingsverkeer plaatsvond. De provinciale elite probeerde wel degelijk eigen initiatieven te ontplooien maar zij konden niet ontsnappen aan een grote mate van volgzaamheid ten opzichte van Londen.

Dat de oorsprong van het Britse nationale erfgoed voor een belangrijk deel moet worden gezocht in de achttiende eeuw heeft Brewer met dit boek overtuigend aangetoond. Hoe de schaalvergroting en diversificatie vormgaven aan het proces van natievorming weet hij echter minder duidelijk te maken. De groei van cultuur had zonder twijfel een bredere weerslag op de samenleving. Vermoedelijk waren het echter andere factoren, zoals oorlog, religie, handel en imperiale expansie, die de nationale identiteit van Engeland voedden en herschiepen in Groot-Brittannië. Al met al heeft Brewer een prachtig boek geschreven om in te lezen en om in te kijken, zonder voetnoten maar met een beredeneerde bibliografie en bestemd voor een breed publiek.

    • C.O. van der Meij