De Orpheus van Amsterdam

Pieter Dirksen: The Keyboard Music of Jan Pieterszoon Sweelinck. It's Style, Significance and Influence. Koninklijke Vereniging voor Nederlandse Muziekgeschiedenis. 713 blz. ƒ 150,-

Van Jan Pieterszoon Sweelinck (1562-1621) zijn ruim 250 vocale composities bekend en zeventig werken voor klavecimbel en orgel. Het orgel was het instrument waarop Sweelinck excelleerde. Hij was een gezocht docent die leerlingen trok uit heel Noord-Europa. Door de hoge kwaliteit van zijn oeuvre en zijn invloed op latere componisten kan Sweelinck beschouwd worden als de belangrijkste Nederlandse componist ooit. In het tijdschrift de Navorscher onderstreepte Jan Pieter Heije al in 1870 het belang van een grondige studie naar het werk van Sweelinck: 'Al bracht onze geschiedvereeniging niets anders tot stand (...) dan een zoo volledig mogelijk herwinnen en verzamelen der werken van SWEELINCK, dan reeds zou zij der Nederlandsche toonkunst een (...) grootsch gedenkteeken hebben gesticht.'

De Vereniging voor Nederlandse Muziekgeschiedenis uit het citaat van Heije (sinds enige tijd getooid met het predikaat 'Koninklijk') heeft in meer dan een eeuw tijds een internationale reputatie verworven met haar Sweelinck-uitgaven. Er bestaan intussen tal van studies naar het leven en werk van Sweelinck, en aan het einde van de jaren zestig verscheen de derde editie van zijn totale oeuvre, verzorgd door onder anderen Gustav Leonhardt en Frits Noske.

Geheel in deze traditie past het boek The Keyboard Music of Jan Pieterszoon Sweelinck. It's Style, Significance and Influence, het proefschrift waarop musicoloog Pieter Dirksen vorig jaar cum laude promoveerde aan de Universiteit Utrecht. Onlangs verscheen dit boek als vijftiende deel van de reeks Muziekhistorische Monografieën van de Koninklijke Vereniging voor Nederlandse Muziekgeschiedenis. Vanwege de 'zeer hoge wetenschappelijk kwaliteit' en de 'gedreven stijl, die uitnodigt tot meedenken' ontving Dirksen deze week hiervoor de studieprijs van de Stichting Praemium Erasmianum. Dirksen is daarmee, na Louis Grijp in 1992, de tweede muziekwetenschapper die deze prestigieuze prijs van 7.500 gulden heeft gekregen. Dat het 1430 gram wegende en ruim zevenhonderd pagina's tellende boek The Keyboard Music of Jan Pieterszoon Sweelinck natuurlijk in de eerste plaats bestemd is voor een select gezelschap van deskundigen en musici, staat buiten kijf. Tegelijk levert het boek een bijdrage aan een meer algemeen inzicht in de cultuurgeschiedenis van de Gouden Eeuw, mede doordat Sweelinck en zijn muziek nadrukkelijk in een Europese context worden gesitueerd.

Hoewel Sweelinck waarschijnlijk al vanaf zijn vijftiende een levenslange verbintenis aanging als organist van de Oude Kerk in Amsterdam, manifesteerde hij zich pas laat als componist van klaviermuziek. Aanvankelijk legde hij zich vrijwel uitsluitend toe op het componeren van vocale muziek. Het orgelspel lijkt hij lange tijd vooral als improvisatorische bezigheid te hebben beschouwd. Zijn oeuvre voor klavier (niet altijd is het onderscheid tussen klavecimbel en orgel strikt te maken) ontstond in de laatste vijftien jaar van zijn leven. Sweelincks klavierwerken zijn veelal geschreven in vrije vormen, zoals de fantasie. Vooral in dit genre, dat in zijn tijd wel werd beschouwd als de 'hoogste vorm van instrumentale muziek', bewijst Sweelinck een buitengewoon ingenieus componist te zijn.

Na een grondige bestudering van de handschriften waarin Sweelincks werken zijn overgeleverd en een diepgaande stijlanalyse, komt Dirksen in zijn boek tot een hernieuwde muziekhistorische situering van Sweelinck als een belangrijke schakel tussen Renaissance en Barok. Sweelinck liet in aloude genres verschillende stilistische tradities samenvloeien tot een coherente polyfone stijl, waarin de afzonderlijke stemmen als vocale lijnen met elkaar worden vervlochten. Het zou deze stijl zijn die, via zijn leerlingen, de basis vormde voor de Noord-Duitse orgelschool die met de muziek van Bach haar hoogtepunt bereikte. Sweelincks fantasia's worden hooguit overtroffen door de fuga's van Johann Sebastian Bach, zo is al eens opgemerkt. Jan Pieterszoon Sweelinck, 'de Orpheus van Amsterdam', is een van de weinige componisten van Nederlandse origine met een internationale allure van wie regelmatig nieuwe opnamen worden uitgebracht. In Dirksens minutieuze en erudiete studie wordt haarfijn uiteengezet waarom deze vermaardheid van Sweelinck alleszins gerechtvaardigd is.

    • Emile Wennekes