De angel uit het kwaad; Het ontstaan van nieuwe mythes in de literatuur

Aan elke boedelbeschrijving komt een eind, ook aan die van de twintigste eeuw. Naarmate het verleden verder weg komt te liggen, wordt de geschiedenis omgezet in mythes en clichés. Maar die blijven aan verandering onderhevig, vermoedt Nelleke Noordervliet.

In het hart van Honderd Jaar Eenzaamheid van Gabriel Gárcia Márquez stijgt Remedios de Schone ten hemel. De vrouwen vouwen in de tuin zware linnen lakens en dan opeens wordt de simpele Remedios doorschemerd van een intense bleekheid. Een zwakke vlaag van licht rukt de lakens uit hun handen. Remedios stijgt op en wuift de achterblijvers ten afscheid toe te midden van het 'verblindend klapwieken van de lakens, die met haar opstegen, (-) die met haar doordrongen tot in de lucht waar de tijd van vier uur 's middags ophield en zich voor altijd met haar verloren in de hoge luchten waar zelfs de hoogste vogels van de herinnering haar niet meer konden bereiken.' De scène heeft zoveel lichtheid, dat hij zich met gemak losmaakt uit Macondo en uit de literatuur van de twintigste eeuw en ons vooruitzweeft naar de eenentwintigste.

'Lichtheid' heet ook de eerste lezing van Italo Calvino in een reeks van zes memo's voor het volgende millennium. Als voorteken kiest hij het beeld van een renaissancedichter die aan zijn belagers ontsnapt met een koene sprong over een grafsteen. Het gaat 'om de plotselinge lenige sprong van de dichter-filosoof die zichzelf boven het gewicht van de wereld verheft om te laten zien dat hij met al zijn zwaarte het geheim van lichtheid bezit, en dat wat velen zien als de vitale tekenen des tijds - lawaaiig, agressief, ruisend, ronkend, - tot het rijk van de dood behoort (-)'. Lichtheid is een van de waarden die aan de literatuur van het volgende millennium moeten worden doorgegeven. Lichtheid schept afstand. Door die afstand kan men de werkelijkheid onder ogen komen. De zesde waarde die hij onontbeerlijk acht is samenhang. Consistency. Maar dat memo heeft hij niet meer kunnen schrijven, omdat de dood hem aan deze zijde van de eeuwgrens hield.

Samenhang biedt weerstand aan elke poging een verhaal te ridiculiseren en daarmee uit te wissen. Welke bizarre wereld er ook wordt geschetst, als het een samenhangende wereld is schorten we het ongeloof op.

Van tijd tot tijd wordt wel getwijfeld aan het vermogen van taal om wezenlijke ervaringen van de mens na te vertellen en zodoende te herhalen of te begrijpen. 'Woorden schieten tekort' is het gezegde waarmee we uit de volheid van ons hart op een ingrijpende gebeurtenis reageren. Die formule voldoet in al zijn beknoptheid voorlopig heel aardig. Als de ergste sprakeloosheid voorbij is, blijkt juist zelfs behoefte te bestaan de herinnering aan het voorval vast te leggen.

Het beschrijven van de werkelijkheid, hoe droog en ter zake ook, kan waarschijnlijk niet zonder enige vorm van compacte en suggestieve vergelijking. Hoe treffender de vergelijking, des te groter is de kans dat hij vaak wordt gebruikt, waardoor hij sneller slijt. Elke vergelijking, elke beschrijving van de werkelijkheid is daardoor onderhevig aan de erosie van het cliché.

Dat is ook gebeurd met de beschrijving van De Oorlog, zegt Marcel Möring in zijn bespreking van het Verzameld Werk van Gerhard Durlacher. 'De boeken die de afgelopen 50 jaar over die periode zijn geschreven hebben zoveel beelden en ideeën en bevestigingen van beelden en ideeën opgeleverd, dat we nu in het rijk der clichés zijn beland, het literaire land waarin we zo langzamerhand wel weten hoe de SS'er, de verzetsman, de jood en de dadenloze burger er uitzien. Ja, ook als het gaat om twijfel en verraad en lafheid en onoprechte heldenmoed.' En een paar regels verder zegt hij: 'De volgende fase in de Nederlandse literatuur over De Oorlog zal gekenmerkt moeten worden door meer verdichting, meer mythe, meer verdraaiing. Verhalen moeten er komen, sprookjes en verzinsels. Daarvoor is het allemaal lang genoeg geleden.' Daar valt wel het een en ander over te zeggen. Meer dan hij zelf in dat artikel deed.

Er zijn gebeurtenissen die we het lot van erosie door het cliché willen besparen. Die gebeurtenissen brengen we onder in een taboe. Buiten het bereik van de wind en het water van de woorden houden we die wezenlijke ervaringen heel. Althans, dat hopen we. Dat is de achtergrond van Adorno's verbod aan het begin van de jaren vijftig op het schrijven van gedichten na Auschwitz. Hij zei: 'Het is onbetamelijk na Auschwitz een gedicht te schrijven. Men bevredigt zijn esthetische behoeften door de vervorming van naakte lichamen die met geweerkolven zijn neergeslagen en gefolterd... Het gebruik van esthetische of stilistische middelen verleent aan de meest onbegrijpelijke kwelling een schone schijn. De tortuur wordt daarmee gesublimeerd terwijl tal van aspecten van de verschrikking onbelicht blijven. Daarmee alleen betoont men zich onrechtvaardig ten opzichte van de slachtoffers.'

Adorno zag de bui al hangen. Het was een stap verder dan zeggen dat woorden tekort schieten. Het is een hyperbool die niet de onmacht maar het taboe formuleert en daarmee uitdrukking zoekt voor een verschrikking die buiten alle termen valt, zelfs buiten de 'woorden schieten tekort' formule, het bekende cliché voor het heel erge. De impliciete esthetiek die de literatuur aankleeft komt in dit geval in tegenspraak met de morele plicht die literatuur volgens Adorno heeft.

Stel dat men zich aan het verbod had gehouden: geen poëzie meer na Auschwitz, dat wil zeggen: zeker geen poëzie meer óver Auschwitz, geen verdichtsel, geen verdraaiing, geen sprookjes, geen verhalen. Stel dat men een monument van stilte had opgericht. Auschwitz zou als Remedios de Schone onbereikbaar zijn geworden voor de hoogste vogels van de herinnering. Opgeheven worden en verdwijnen.

Iedereen die schreef, of het nu dagboeken waren of brieven, verslagen of verhalen, schreef tegen het vergeten, ook al gaf men Adorno gelijk. En natuurlijk gebeurde wat Adorno vreesde: er ontstond een esthetisering en hier en daar een commercialisering van het leed. De mooie koopwaar haalde de angel uit het kwaad. Dat wekt weerstand. De samenhang met de werkelijke ervaring is zoek.

Taboe en overtreding van taboe dragen bij tot mythevorming. De mythe heeft echter tijd nodig. De ballast van tijdsverschijnselen moet worden afgeworpen; de onvermijdelijke lading van tweede- en derderangs geschriften moet verdampen of samenkoeken. Dat is een langdurig proces.

Op dit moment is dat allemaal nog niet lang genoeg geleden. Möring is te ongeduldig. Hij kan niet wachten om aan het sprookje te beginnen. Waarom? Omdat het onverdraaglijk is dat het cliché om zich heen heeft gegrepen, waaruit de werkelijke ervaring is weggesiepeld? Omdat we, voordat het grote vergeten begint, alle literaire tovertrucs uit de kast moeten halen en onze verhalen doordrenken met de bittere oogst van de eeuw? Opdat ze zich verzamelen tot dat ene onontkoombare verhaal?

Het is waar, de generatie die het allemaal bewust heeft meegemaakt, sterft uit. Veel nieuws zal er uit de eerste hand niet meer komen. De tweede generatie, getekend door de verzwegen verhalen van de ouders, heeft zijn eigen therapieverslagen geschreven. De derde generatie is druk met de toekomst en - indien geïnteresseerd in het verleden - van een welwillende afstandelijkheid. Dat hangt niet samen met clichévorming. Men kan over alles schrijven. Men kan over alles goed schrijven en men kan over alles slecht schrijven. Veel schrijven over een onderwerp houdt niet in dat er op den duur alleen maar in clichés over geschreven kan worden. Neem de Liefde, de Dood, de Vriendschap. Neem Verraad. Het is een kwestie van talent. Nee, het komt omdat de vervolging nog geen abstract thema is waarover met meer of minder talent kan worden geschreven, maar nog steeds een concrete, gezamenlijke werkelijkheid. Auschwitz is nog geen Macondo.

Voor wat betreft oorlog en vervolging leven we in een ongemakkelijke overgangsperiode van onvoltooid naar voltooid verleden. We gaan van de toetsing van een visie op het nabije verleden aan eigen herinneringen naar de aanvaarding van de onthechte kijk van historici op een verleden waar men part noch deel aan heeft. Literair gesproken leven we in een overgangsperiode van motief naar thema. In het onvoltooide verleden is alles nog in beweging; ideeën erover worden omhelsd of bestreden, het is een actief proces van geschiedenis schrijven en zich herinneren. Van spraak en tegenspraak. Dat proces is niet alleen bedoeld om samenhang aan te brengen in het eigen verhaal, maar het is ook gericht op de toekomst. Het is het zorgvuldig beschrijven van de boedel van een periode.

Aan elke boedelbeschrijving komt een eind. Is er niets vergeten? Zijn de juiste termen gebruikt? Is het beeld compleet? Is het waar? Deugt de taal? We weten niet of we het goed hebben opgeschreven en vrezen de erfenis over te dragen aan een generatie, die niet kan lezen. Daaruit komt onze onrust voort.

Schrijvers als Durlacher, Levi, Borowski en Semprun waren getuigen van een gebeurtenis zonder precedent. En als je geen term van vergelijking tot je beschikking hebt, moet je de werkelijkheid beschrijven met de luciditeit en de eenvoud van de verwondering. Dat de wereld doorgaat, dat het leven doorgaat, dat de tijd voortgaat. Dat het achter ons ligt en tegelijkertijd bij ons is. Hoe dat toch kan. Zij hebben het menselijk kwaad beschreven en beantwoord met hun menselijke waardigheid. Een verdraaiing, een verfraaiing, een opsiering of een overdrijving, al dan niet opzettelijk, bederft deze basisgrondstof voor de mythe.

Geen van die klassieke boeken draagt het karakter van een requisitoir. Een aanklacht veronderstelt een antwoord, een repliek, een verdediging, veronderstelt de mogelijkheid ervan. Een aanklacht staat niet op zichzelf, maar past in een systeem van hoor en wederhoor, waarop een onafhankelijk oordeel mogelijk is. Hun intens verwonderde getuigenis functioneert in een ander systeem. Ze hebben niet voor het heden geschreven, ze hebben voor een toekomst geschreven. De waarden van Calvino zijn in hun geschriften alle terug te vinden. Ook lichtheid, ook samenhang.

Naast deze klassieke teksten ontstonden andere. Sommige daarvan waren controversieel. De weerstand ertegen werd in de eerste plaats veroorzaakt door hun kwaliteit. Woede en verontwaardiging hoeven nu eenmaal niet verspild te worden aan rotzooi. Jerzy Kosinski werd bijvoorbeeld verweten dat hij in The Painted Bird (1965) fabuleerde. Wat hij beschreef was niet gebeurd of niet zó gebeurd, kon niet zo gebeurd zijn, terwijl de roman fungeerde binnen een context van authentieke documenten en ware verhalen. Kosinski loog, volgens zijn critici, in een tijd dat er nog geen leugens verkocht mochten worden, omdat de hele waarheid nog niet was verteld. Afgezien van die corruptie van de authenticiteit, ontnam Kosinski de overlevenden hun troost en hoop. En dat was veel erger. Want overleven, hoezeer ook beladen met schuld, was een teken van de overwinning op het kwaad. Het kind in The Painted Bird, overlevende, raakt echter aangetast door het kwaad, het raakt besmet met het kwaad. Er is geen verlossing als zelfs de kinderen hun onschuld verliezen.

The Painted Bird, maar ook Todesfuge van Paul Celan of De Elzenkoning van Michel Tournier zijn op de een of andere manier verdichtingen, verzinsels, sprookjes. Ze zijn verschenen tussen 1950 en 1970. Ze stonden naast de getuigenissen en verslagen, naast de ware verhalen. Van meet af aan hebben dergelijke bewerkingen hun functie vervuld in het fermentatieproces dat uit moet monden in de mythe.

De clichés waar Möring het over had, en waartegen eigenlijk niemand in opstand kwam, zijn ofwel door onervaren autobiografen gebruikt ofwel door romanschrijvers van de tweede en derde garnituur opgelepeld in vuistdikke drama's, die overigens gezien het internationale succes van een televisieserie als Holocaust een zekere functie hadden in de bewustwording van een hele generatie. Wat voor de één van een jammerlijke kitsch is, treft de ander recht in het hart. Je kunt als intellectueel wel de neus ophalen voor die sentimentele pulp, maar dat is kortzichtige nuffigheid.

Voor die clichés hoeven we niet bang te zijn. Het tegendeel is waar. De clichés zijn noodzakelijk en onvermijdelijk. Ze zijn bovendien niet toegenomen, ze waren er altijd al. Een cliché is een toevlucht. Voorlopig. Je maakt van personen karkikaturen, je schept een zekere samenhang in de verschijnselen, niet door die te zoeken in de gebeurtenissen maar door die samenhang als sjabloon op te leggen aan de gebeurtenissen. Opdat ze niet meer verontrusten. Het is een bewijs van onvermogen, meer niet.

De voortdurende zorg om de samenhang tussen literatuur en werkelijkheid draagt bij aan de totstandkoming van een mythe. Er zijn verschillende soorten mythen. De soort die als een komeet ontstaat, heel even de complete uitdrukking lijkt te zijn van een tijd en dan weer ontluisterd wordt. En de soort die wordt bijgeschreven bij de oerverhalen van de mensheid. Die laatste ontstijgt aan de tijd en aan het cliché. Die wordt aangemaakt in de diepste kelders van de geschiedenis. En op die laatste soort moeten we inzetten als we onze boedelbeschrijving prijsgeven aan de werking van de tijd.

Mythen geven via symbolen inzicht in de diepste dimensies van de menselijke werkelijkheid. Als zodanig hebben ze een wezenlijker betekenis dan sprookjes en verzinsels. Frank Kermode zegt over de mythe, dat hij werkt 'binnen het raamwerk van het ritueel, dat complete en adequate uitleg veronderstelt van onveranderbare gebaren. Ficties bestaan om ergens achter te komen, en ze veranderen als de behoefte naar zingeving verandert. Mythen zijn de agents of stability, ficties de agents of change. Mythen vragen absolute instemming, ficties voorwaardelijke.'

De literaire metamorfose staat niet los van de werkelijkheid. Ook in de werkelijkheid zien we verschuivingen optreden in de manier waarop we herinneringen ophalen aan het verleden, het verleden van onze ouders en grootouders. In de dagelijkse gang van zaken raakt het onvoltooid verleden langzaamaan voltooid.

Elk jaar rond vier en vijf mei wordt dat zichtbaar. Jarenlang spoelde een rituele golf van berichten over herdenking en verwerking over ons heen. Het deed denken aan de traditionele krantenkop 'Nederland in de greep van Koning Winter' als het een paar dagen vriest. In die plichtmatigheid zagen we de werking van het cliché. In het vaste patroon van herdenkingsartkelen zijn nu eveneens veranderingen aan te wijzen.

Zo verscheen er in de meidagen van 1997 een stuk over de liquidatie van joodse onderduikers door verzetsploegen, omdat die onderduikers een gevaar voor zichzelf en vooral voor hun helpers vormden. Voorheen werd aan dergelijke tragische incidenten niet al te veel ruchtbaarheid gegeven. Het was te pijnlijk: vervolgingsslachtoffers moesten slachtoffers blijven. Binnen dat beeld paste niet de nuance van de querulant, de roekeloze, de ondankbare. Het verschijnen van een dergelijk herdenkingsartikel in de krant is niet alleen een correctie op het gangbare beeld maar ook een historische kritiek op de geschiedenis van de levende herinnering, op wat verdrongen en op wat opgepoetst werd. De nuances die we in deze overgangsperiode nog even eigenhandig aanbrengen, worden op het gangbare beeld geplakt als gele memobriefjes.

Een mythe van de mensheid gaat ons allen aan. Die schrijven we gezamenlijk. Slachtoffers hebben niet het alleenrecht. De algemene toegankelijkheid van het onderwerp mondt niet uit in de kleffe moraal dat wij allen schuld hebben aan het kwaad, dat het kwaad in ieder mens zit. Het zit niet in ieder mens. De angel wordt uit het kwaad gehaald door een dergelijke veralgemening. Het gaat om de woorden van Hannah Arendt; onder terreur buigen de meeste mensen zich, maar sommigen niet. Sommigen niet.

Ik stel me voor hoe in het derde millennium een schrijver belang stelt in de twintigste eeuw. Een duistere eeuw, zegt men, met een onhandelbare erfenis die in een archief gewicht ligt te verzamelen. Hij heeft de beschikking over Calvino's zes memo's. Hij ontcijfert de betekenis ervan. Hij begint met Lichtheid en leest door tot het vijfde en laatste memo: Multiplicity. Daar leest hij dit: 'Al te ambitieuze plannen mogen op menig terrein bezwaarlijk zijn, maar niet in de literatuur. Literatuur blijft alleen levend als we onszelf onmogelijke doelen stellen, zonder enige hoop ze te bereiken. Alleen als dichters en schrijvers zichzelf een taak stellen waar niemand van durft te dromen, zal literatuur een functie behouden.' De schrijver fronst het voorhoofd. Bij een andere schrijver, Calasso, heeft hij dit gelezen: 'De mythe is een verhaal. De enige manier om dieper door te dringen in de wereld van de mythe is de verhalen van begin tot eind opnieuw te vertellen.' Hij stelt zich een onmogelijke taak en vertelt de mythe van het eind van het tweede millennium. Alle verhalen van het begin tot het eind opnieuw.

    • Nelleke Noordervliet