Biografie van Abel Herzberg; Streng voor de wereld, te streng voor zichzelf

Arie Kuiper: Een wijze ging voorbij. Het leven van Abel J. Herzberg. Querido, 723 blz. ƒ 75,-

Zoals de wereld het idee kent van de Slechte Jood, een op geld beluste vrek, verteerd door haat en argwaan, zo bestaat er sinds verlichte tijden ook het type van de Goede. Nathan der Weise, de jood als niet-joods ideaal. Net als zijn kwade tegenpool is hij gevormd door een geschiedenis van onderdrukking en vervolging, maar hij verweert zich niet met geld of gierigheid. Hij kent de ware rijkdom. Hij heeft geest.

Meer dan een jood is Nathan daardoor een 'mens', die boven de partijen staat. Hij bewaart van zijn geloof alleen de kern, die ook de buitenstaander aanspreekt, en hij vindt een ruim gehoor onder christenen. Hij spreekt in sprookjes en parabels die hij zelf verzint, maar die toch onmiskenbaar wortelen in de tradities van zijn volk. Zijn stem klinkt daarbij kalm en diep, een bronzen klok, zijn gestalte is rijzig en zijn haar zit als bij Albert Einstein.

Zou zo iemand echt kunnen bestaan?

Ik moest daar aan denken door de titel van de deze week verschenen biografie van Abel J. Herzberg (1893-1989): Een wijze ging voorbij. Want de gelijkenis is meer dan treffend. Herzbergs ouders vluchtten uit de Russische pogroms van de negentiende eeuw naar Nederland en Herzberg zelf kwam na de oorlog levend terug uit Bergen-Belsen. Hij hield met voorbijgaan aan zijn eigen leed vast aan een milde, vergevingsgezinde blik op de wereld, en hij groeide daarmee uit tot eerste woordvoerder van joods Nederland. Hij schreef een spervuur aan beschouwingen en commentaren, afgewisseld met parabels en herinneringen, wortelend in het mystieke jodendom van Oost-Europa, en zijn stem klonk om de haverklap op radio en televisie. Een prachtstem trouwens, met een resonans die volle zalen tot ontroering bracht, en zelfs zijn haar zat helemaal goed. Hij werd een Nathan in het echt, a dream come true.

De parallel gaat zelfs nog verder als je ziet bij wie hij weerklank vond. Want dat was meestal niet zijn eigen, dat wil zeggen joodse, kring. Met zijn volmaakte mildheid stelde hij een norm die, kort gezegd, de joden min of meer hun recht op woede afnam en de niet-joden hun plicht tot schuldgevoel. De buitenwacht kwam er met Herzberg makkelijk van af en het was dan ook daar dat hij de grootste aanhang vond - bij iedereen die niets tegen de deportaties had gedaan, of niet genoeg, en zich dat aantrok. Bij schuldgevoelige zielen in het algemeen, in later jaren, en met name bij een sleep aan kerkverlaters en ontzuilde christenen op zoek naar de joodse roots van hun geloof. Hij werd een jood, precies als Nathan, voor christelijk gebruik.

Dat is handig om te weten voor je aan Een wijze ging voorbij begint, want niet alleen de titel, ook de schrijver past in dat beeld. Arie Kuiper was hoofdredacteur van De Tijd in een tijd dat het weekblad nog een katholieke achtergrond verraadde. In de inleiding vertelt hij dat het voorstel voor het boek afkomstig is van zijn vriend Huub Oosterhuis, de vroegere studentenpastor, die weer een vriend van Herzberg was. We staan hier met andere woorden in de binnenste kring van christelijke geestverwanten en dat zet het boek al bij de titel onder spanning. Deze wijze, is dat Herzberg zelf of zijn imago? En ziet Kuiper het verschil? Is hij zich bewust van de filosemitische traditie die hij vanaf de kaft tot leven roept?

Dat valt nog niet zo simpel uit te maken, want hij laat de titel (uit een advertentietekst van uitgeverij Querido na Herzbergs overlijden) onverklaard en stapt meteen het leven binnen. Ouders, kindertijd, volwassenheid, in kalme vaart loopt hij de jaren door, met de onopgesmukte toewijding aan bronnen en feiten die hem tekent als een doorgewinterd journalist. Die bronnen zijn beperkt, hij heeft geen dagboek ter beschikking en ook niet heel veel brieven, zeker niet van voor de oorlog, maar er is geen krantenstukje of hij heeft het nageplozen. Dat is waar dit boek op rust, daar ligt de wijsheid opgeslagen.

Bij die wijsheid draait het om een sleutelwoord dat Herzberg levenslang met zoveel ijver bleef herhalen dat zelfs fans er wel eens moe van moeten zijn geworden. Zionisme - een begrip dat in zijn handen heel wat meer is dan het streven naar een joodse staat. Het is de terugkeer uit de Ballingschap, de wederopbouw van de joodse trots, de aanzet tot een ware joodse renaissance. Het is Israel als droom van schoner leven.

In het Amsterdam van voor de Eerste Wereldoorlog waar Herzberg opgroeide, was dat geen alledaags idee. De meeste joden zagen weinig heil in dat stuk zand onder Engels mandaat en beschouwden Nederland als eigen land. Assimilatie was de trend, langs de weg van het socialisme vaak. Maar vader en moeder Herzberg hadden te veel meegemaakt om daar nog argeloos in te geloven. Eerst vervolgd in Rusland, werden ze in Nederland opzij gezet als achterlijke Ostjuden, zo niet door christenen dan wel door de gevestigde joden. ('Iedere jood zoekt naar een andere jood om de klap op te vangen die voor hem bedoeld is,' zoals Herzberg later schreef.)

De kleine Abel groeide op met de gedachte dat het antisemitisme nooit voorbij zou gaan en zag daarom in zijn volwassenheid maar één weg open. In de jaren twintig en dertig, na een studie rechten, stortte hij zich in een wemeling aan zionistische instanties. Kleine clubjes allemaal, waarin hij steeds dezelfde mensen tegenkwam, en je ontkomt niet aan de indruk dat hij overal het heft in handen nam. Hij had een scherpe tong en een snelle pen, dus hij klonk boven alles uit. Erets Jisraeel, dat was het doel - de jodenhaat liet simpelweg geen keus.

Nu was dat een gevaarlijk, want negatief, argument. 'Der Feind macht uns zum Volke', naar een woord van zionistenleider Theodor Herzl. Het ideaal werd min of meer afhankelijk van het antisemitisme, daar zonder bleef er niets van over, en dat leidde in de jaren dertig tot gedachtenkronkels waar je achteraf van opkijkt. Hitlers jodenhaat ging onder zionisten dienen als bewijs voor hun gelijk, als propaganda voor het zionisme haast, en zelfs de Neurenberger rassenwetten werden niet in alle opzichten verworpen. Joden hoorden toch ook niet met christenen te trouwen? Hoorden toch ook niet op christelijke scholen? Assimilatie moest voorkomen worden, dat had Hitler juist gezien.

Het is Herzbergs onvergankelijke bijdrage aan het zionisme dat hij aan die spiegelbeeldigheid probeerde te ontkomen door een eigen theorie over de verhouding tussen jodendom en jodenhaat te ontwikkelen. Christenen, stelt hij, haten joden niet omdat ze Jezus hebben omgebracht, maar omdat ze hem hebben voortgebracht. Door hem hebben ze de Tien Geboden aangenomen, joodse leefregels die zo veeleisend zijn dat ze er wel weer onderuit zouden willen. De 'heiden' in hen verlangt zijn vrijheid terug en haat daarom de jood die hem gebonden heeft. 'De heiden haat de jood,' kort gezegd, 'omdat de christen hem knevelt.'

Daarmee krijgen de twee tegenpolen elk hun eigen rol. Het antisemitisme wordt een primitief verlangen terug te keren naar een amoreel bestaan, een onbeteugeld driftleven. Het jodendom wordt het verlangen naar moraal, beschaving, zelfoverwinning. Het zijn twee tegenstrijdige verlangens die in elk mens leven, ongeacht geloof of wat dan ook, en die ten eeuwigen dage in gevecht zullen zijn. 'Der Jude sitzt immer in uns,' zoals Hitler zei, en omgekeerd zit in de jood nog steeds een heiden. Jodendom is geen verdienste, maar een opdracht.

Dat, in de kern, is Herzbergs wijsheid. Jodendom en jodenhaat zijn beide eeuwig, want ze zijn de buitenkant van onveranderlijke innerlijke drijfveren, en joden kunnen daarom weinig anders doen dan leven met het lot dat de geschiedenis hun toebedeeld heeft. Amor fati, noemt hij dat in zijn gelijknamige essays over Bergen-Belsen. Het is leven in een poging de bedreiging van het antisemitisme buiten maar ook in jezelf met opgeheven hoofd tegemoet te treden en, waar mogelijk, in toom te houden. Het is beschaving door zelfoverwinning.

Een wijze ging voorbij maakt duidelijk dat Herzberg zelf zich te allen tijde aan die opdracht hield, op een manier soms die aan het ongelofelijke grenst. De eerste jaren van de bezetting waarschuwde hij joden dat ze moesten onderduiken. Maar zelf zat hij nog niet verstopt of hij besloot maar weer naar huis te gaan. Hij kon het niet, dat lijdzaam wachten in zijn eentje 'bij vreemde mensen die je dan ook nog in gevaar brengt'.

Die beslissing bracht hem na een omweg, waarover straks meer, in januari 1944 in Bergen-Belsen, waar het leven elke dag verslechterde. Het werd te vol, er kwam honger en er braken ziekten uit, tot vlektyfus aan toe. Tientallen doden per dag, gekerm van stervenden, gevangenen die elkaars voedsel stalen, kannibalisme - alle besef van menselijkheid ging kapot. Maar Herzberg hield zijn waardigheid, aldus getuigen. Hij brak zijn kam in tweeën toen een ander zijn kam kwijt was en hij leidde de Rechtskommission waarin gevangenen onderling rechtspraken over diefstallen en dergelijke. Beschaving voor alles.

Een verbijsterende anekdote komt van zijn vrouw Thea, ook in het kamp, die hem zag lopen met een hoofd vol bloed. Ze vroeg er naar, maar hij wist niet wat ze bedoelde, had het niet gemerkt. 'O ja,' herinnerde hij zich, 'ik ben [door een kampbewaarder, HG] in elkaar geslagen.' Wat hij niet verdragen kon, daar wist hij zich klaarblijkelijk voor af te sluiten. Hij bekeek de nazi's zoals ze hem bekeken, zei hij achteraf: afstandelijk, als Untermenschen. 'Als ik een pak op m'n duvel kreeg dacht ik: wat ben jij een verschrikkelijke proleet dat je dat doet, hoe is dat in 's hemelsnaam mogelijk?'

Toch was hij na de oorlog de eerste om te twijfelen of het wel zin had om die nazi's te bestraffen. Waren het criminelen? De Vier van Breda, over wie hij talloze stukken schreef, of later Eichmann, over wie hij het nog altijd sterke rechtbankverslag Eichmann in Jeruzalem publiceerde, waren in zijn ogen 'doodgewone mensen', raderen in een machinerie van haat die als geheel buiten hen om ging. Meer dan misdadiger waren ze slachtoffer. En bovendien, wat was de zin van strafvervolging? 'Vervolging, vervolging! Eerst vervolgt hij mij, en dan vervolg ik hem omdat hij mij vervolgd heeft.' De gedachte aan vergelding was een valstrik van de barbarij - ze maakte de beschaving zelf barbaars.

Het enige wat zin had, aldus Herzberg, was 'genezend begrip'. Het kwam er op aan je gevoelens te overwinnen en vanuit een 'post-emotioneel standpunt' door te dringen tot de vijand. 'Ze hebben geprobeerd mij dood te slaan. Ik ben nu in de situatie gekomen dat zij mij om genade vragen. Wij mogen ons die gave niet laten ontnemen.' Dat had hij van zijn vader al geleerd: komt iemand die je ooit beledigd heeft hulp vragen, dan geef je hulp, want dan is hij door God gestraft, en dat is genoeg. Dat was pas wraak. 'Een wraak die niet bitter maar zoet is.'

Na bijna zevenhonderd bladzijden Een wijze ging voorbij kun je er niet meer onderuit. Die man was wijs, dat is geen filosemitisch droombeeld. Hij was van het schokbetonnen mensentype dat zichzelf de allerhoogste eisen stelt en daar dan vanzelfsprekend aan voldoet ook. Wie kan zich met die maat meten?

Het geeft de Herzberg van dit boek iets ondoordringbaars. Hij maakt enkele van de afgrondelijkste dingen mee die deze aarde biedt en op de een of andere manier is het toch net of hij ze niet echt meemaakt. Of hij er niet door wordt aangetast, er buiten staat, en misschien is dat ook wel de definitie van een wijze: zijn terrein is het leven, niet zijn eigen leven. Maar opnieuw is dan de vraag: bestaat dat? Kan iemand zo onaantastbaar zijn?

Er is één punt waarop ik me afvraag, op eigen gezag, want Kuiper houdt zich ver van elke speculatie, of Herzberg niet onder zijn eigen maat bleef. In 1946 raakte hij betrokken bij een fel debat over de Joodse Raad, die tijdens de bezetting onder gezag van de Sicherheitsdienst bepaalde welke joden op transport gesteld moesten worden. Een vorm van collaboratie, volgens velen, en dat was des te bedenkelijker omdat het joodse proletariaat het eerst zou zijn geofferd, de gegoede joden pas daarna en vrienden van de Raad pas op het laatst. De elite had zijn huid proberen te redden over de rug van de gewone joodse man.

Herzberg ging daar woedend tegenin. Als advocaat nam hij zelfs de verdediging op zich van de voorzitters van de Raad, Asscher en Cohen, toen die in '47 werden gearresteerd. Maar vooral bestreed hij in de pers de argumenten tegen de Raad. Hij nam het op een paar concrete punten voor de voorzitters op en kwam ook met een principieel punt. Zuiveringen waren zinvol waar men de gelegenheid tot onzuiverheid gekregen had. Maar hadden joden voor de nazi's kunnen kiezen?

Het is een argument dat hij de veertig jaar daarna met toenemende woede uitwerkte, elke keer als er debat was over privileges, lijsten, stempels waarmee joden al dan niet aan deportatie hadden weten te ontkomen. Alle joden zaten in hetzelfde schuitje, vond hij, iedereen zocht redding en het zou onmenselijk zijn iemand te verwijten dat hij daarbij eerst aan zijn verwanten en zichzelf dacht. Het is zelfs een 'wet van God': verantwoordelijkheid voor wie ons lief zijn.

Maar zijn felheid toonde wat hij meestal niet vermeldde - dat hij daarmee ook zichzelf verdedigde, omdat hij zelf geprofiteerd had van die privileges, lijsten, stempels. Voor hij naar Bergen-Belsen werd gevoerd was hij geïnterneerd in Barneveld, een kamp voor zogeheten 'verdienstelijke joden' die op grond van twee bij Binnenlandse Zaken circulerende lijsten vrijgesteld zouden blijven van de grote treinreis naar het oosten. Dat hij op zo'n lijst terechtkwam was omdat hij in een staatscommissie had gezeten, zei hij zelf wegwuivend. Maar zijn kinderen vermoeden dat zijn vrouw er achteraan gezeten heeft.

Wat dat welbewust gezochte privilege na de oorlog ging betekenen, laat zich het beste illustreren aan de hand van een detail dat Kuiper niet geeft. Terwijl de schaarse overlevenden van andere kampen elkaar weer opzochten, meden de Barnevelders elkaar na een bekritiseerde bijeenkomst in 1954 tot op de dag van vandaag. De schaamte is te groot, de schaamte dat zij op een enkeling na wel overleefden. En het schuldgevoel daarbij, want wie de dans ontsprong deed dat ten koste van een plaatsvervanger. De treinen naar het oosten moesten vol - niet met de een, dan met een ander.

Zou het toeval zijn dat Herzberg, die zoveel schreef over zijn kampervaringen, geen woord geschreven heeft over de schuld en schaamte van die Barneveld-lijst? Het kan niet anders of hij was zich, achteraf, bewust dat door zijn privilege iemand anders in zijn plaats vermoord werd, en het is ook geen geheim dat hij zich later, zoals bijna alle overlevers, schuldig is gaan voelen tegenover de doden. Zou zijn zwijgen niet betekenen dat hij er op dit punt niet meer in slaagde tot het overwicht te komen van zijn post-emotionele standpunt? Of is ook dat zwijgen toch weer wijsheid en beheersing van gevoelens?

Bij vragen als deze is het jammer dat Kuiper zich als biograaf zo weinig uitspreekt. Hij vertelt wel maar hij onderzoekt niet en hij komt al helemaal niet met een kantige visie. Wat is voor hem de inzet van dit leven? De inzet van zijn eigen boek? Op detailpunten levert hij kritiek of toont hij juist bewondering, maar verder moeten de feiten spreken, en het gevolg is dat je allerlei gegevens krijgt waarvan onduidelijk blijft of hij er zelf wel aan heeft afgezien wat je als lezer ziet.

Dat wreekt zich vooral in de naoorlogse periode, als Herzberg op jaren raakt en steeds meer ruimte voor het schrijven maakt. Hij krijgt bekendheid, eerst vooral met oorlogsboeken als Amor fati en de imposante Kroniek van de Jodenvervolging, later ook met fictie als Drie rode rozen en herinneringen als de Brieven aan mijn kleinzoon. Maar terwijl je zou verwachten dat de afstand die het schrijven schept zijn veelgeprezen mildheid nog ten goede komt, zie je dat hij juist iets stuurs krijgt. Iets tragisch zelfs, dus iets dat ingaat tegen alles wat hij wilde zijn, en toch blijft Kuiper stil. Wat is hier aan de hand?

Alles wat Herzberg onder de noemer bracht van zionisme en beschaving komt ten slotte neer op een mystiek getint verlangen naar de harmonie der sferen. Mensen zag hij als fragmenten in een schijnbaar ordeloze schepping, zoekende naar eenheid, en die eenheid gaf hij de naam God, hoewel hij daar waarschijnlijk niet erg in geloofde. Het was een God die geen hulp gaf maar vroeg, die mensen vroeg hun onvolmaakte wereld te volmaken, en dat was uiteindelijk de taak die hij zag voor de joden. Eenheid, in zijn dromen, dat was Israël.

Maar wat hij van zichzelf verwachtte, bleek hij niet van anderen te kunnen verwachten. Toen in 1948 eindelijk de staat gesticht werd die hij al een jaar of veertig voor ogen zag, nam hij de boot om daar het nieuwe leven te bezichtigen. Maar dat viel tegen. 'Het is hier stijlloos, bekrompen, klein, kleingeestig, lelijk, lelijk, lelijk', schreef hij naar huis. 'Een paar zakken joden die men op een hoop gegooid heeft en die nu op en over elkaar kriebelen en dat prachtig vinden.' Lompheid, ellebogenwerk, geschreeuw - het was niets van wat hij zocht.

Zo werd hij een typisch voorbeeld, het kwam meer voor, van de zionist die als het er op aan komt zelf voor Zion bedankt. Hij bleef in Amsterdam, zuchtend dat hij zich moest schamen, want schuldig voelde hij zich wel. Wat overigens niet betekende dat hij het joodse leven hier te lande nu zo veel geschikter vond. Ook dat kon er niet meer mee door. Hij vond het ruggengraatloos en kortzichtig, een konkelend clubje. 'Ik kan ze in wezen niet luchten', vatte hij de situatie samen, en dat zouden ze weten ook. Hij werd een gereputeerde ruziemaker en uiteindelijk een eenling binnen de beweging die hij zelf had grootgebracht.

Kan het zijn dat Kuiper echt niet ziet wat hier gebeurt? Ook niet als hij er zelf bij vertelt dat Herzberg toen hij ouder werd gespreksgenoten niet veel langer aan het woord liet dan de beleefdheid eiste en zijn toenemende doofheid soms wel handig vond, omdat hij dan 'de kletspraatjes van andere mensen' niet meer hoefde aan te horen? Als dat zo is, dan mist de biograaf wat mij de crux van zijn verhaal lijkt: dat de wijsheid van zijn held uiteindelijk te streng is voor een mensenleven. Te streng voor de nazi's, die zijn onnavolgbare beschaving wilden neerhalen. Maar te streng ook voor de joden, die het peil van die beschaving als het erop aan kwam niet bereikten. En te streng daardoor uiteindelijk ook voor hemzelf, die bij die beschaving meer en meer alleen bleef in een splendid isolation. Zijn koninkrijk, in de geloofstaal van zijn biograaf, bleek niet van deze wereld.

    • Hans Goedkoop