Arnold J. Toynbee: A Study of History, 1946

Arnold Toynbee: A Study of History. Verkorte uitgave, verzorgd door D.C. Somervell (1946). Heruitgegeven door Thames & Hudson, 1989. ƒ 65,65

Toen Arnold Toynbee (1889-1975) aan het eind van de jaren twintig Der Untergang des Abendlandes (1922) van Oswald Spengler onder ogen kreeg, liep hij al rond met het plan een geschiedenis van de beschavingen te schrijven. Even vreesde hij dat het gras voor zijn voeten was weggemaaid, maar de noodlottige en heidense geest van het werk van de Duitser overtuigde de Engelsman toch van de zin van zijn eigen voornemen. In dertig jaar tijd schreef hij vervolgens het twaalfdelige onderzoek naar opkomst en neergang van eenentwintig civilisaties.

Niet alleen verdwenen beschavingen - zoals de Egyptische, de Sumerische, de Maya en de Antieke - passeren de revue. Ook bestaande civilisaties (bijvoorbeeld de Hindoe en de Westerse) komen aan bod. Bovendien probeert Toynbee te verklaren waarom sommige samenlevingen, zoals de Keltische en de Scandinavische, in de knop gebroken werden en andere (de Eskimo's en de Spartanen) nooit boven een welomschreven niveau zijn gerezen.

Anders dan Spengler geloofde Toynbee dat de cyclus van geboorte en sterven van beschavingen doorkruist werd door de geleidelijke ontvouwing van een religieus plan dat in een 'Koninkrijk Gods' zou uitmonden en dus niet noodzakelijkerwijs in deze wereld.

Deze worsteling van de verschillende culturen met grote tegenspoed en een klein beetje genade maakt het lezen van A Study of History tot een grandioos avontuur. De kleine schare van vakhistorici moest voor en na de oorlog hoofdschuddend aanzien hoe een groot publiek het boek als de saga der mensheid omarmde. 'De profeet' zette de Utrechtse historicus Pieter Geyl boven zijn laatste kritische opstel (1954) over Toynbee. En dat was niet vriendelijk bedoeld.

Bij Toynbee is tegenspoed de uitdaging van een barse natuur of nog barsere buurvolken en is genade het creatieve antwoord dat een samenleving daarop geeft. Want in een land van melk en honing zetten de mensen hun beste beentje niet voor. 'Soft countries breed soft men', aldus Toynbee. Juist jobstijdingen van droogte, overstromingen en barbaarse invallen doen wonderen. Niet altijd en niet voor iedereen overigens. Slechts een minderheid van de bewoners van de oude Sahara wist iets nieuws te bedenken op de uitdroging, die hun jachtgronden na het verstrijken van de laatste IJstijd besloop. Een deel trok zich terug in de moerasbossen van de Nijl en vestigde daar de Egyptische beschaving. Een ander deel koos zee en stichtte het Minoïsche zeerijk op Kreta. Maar de meeste nazaten van de grote jagers trokken achter de regens naar het zuiden of snoerden voor altijd de buikriem aan.

Nieuwe beschavingen konden ook geboren worden uit bestaande. Als een samenleving de inspanningen niet meer kon verantwoorden, zette een intern proletariaat de tegenbeweging in. De expansiedrang en burgeroorlog wekten onder de 'vernederden en vertrapten' dan heftige verlangens naar orde en rust op. Soms, zoals in het geval van het christendom, groeide die subcultuur uit tot een machtige religie. Deze tegenbeweging volgde de politieke bedding van het Romeinse Rijk: de Universele Staat, die Toynbee zo vaak aan de vooravond van de val van een beschaving zag verrijzen.

Maar terwijl de antieke beschaving zo van binnen begon te splijten, rammelde er ook een extern proletariaat aan de poorten. De horden, die op gezette tijden door de Aziatische steppen werden uitgebraakt, trokken de wankele Universele Staat uiteindelijk toch omver. Een reeks kleine rijkjes bleef over, verbonden door de omvattende cultuur die als protestbeweging begon was: het christendom. Deze christelijke beschaving, een voortzetting van de antieke, is volgens Toynbee een van de weinige met toekomst.

Naarmate zijn werk vorderde - hij onderbrak het alleen tijdens de Tweede Wereldoorlog toen hij voor de Britse Intelligence Service werkte - verminderde zijn sympathie voor het Westen weliswaar. Maar voor de Eskimo's, de islamitische en de Chinese beschaving zag hij nog minder perspectief, 'gefundenes Fressen' als ze waren voor de Westerse expansie. Alleen als het om stalinistisch Rusland ging, opvolger van het orthodoxe christendom, hield hij een slag om de arm. Iets in die kolkende maatschappij moet verwachtingen bij hem hebben gewekt.

Specialisatie en militarisme zijn volgens Toynbee de voornaamste oorzaken van de 'breakdown' van beschavingen: 'De volmaakte Spartaan is een marsman, de Janitsaar een monnik, de Nomade een centaur, en de Eskimo een meerman'. Toch liet het breekpunt van de civilisaties, die hem het meest aan het hart gingen, zich maar moeilijk in de tijd vast stellen. Was de klassieke beschaving bezweken aan de gevolgen van de Peloponnesische oorlogen (431-404) of aan de verwoestingen die Hannibal in Italië aanrichtte (218-201)? Evenmin is uit Toynbee's betoog met zekerheid af te leiden of de Westerse beschaving al haar graf groef tijdens de godsdiensttwisten van de zestiende en zeventiende eeuw. Wel duidelijk is dat hij het keerpunt ver in het verleden zoekt. Lang voor de feitelijke ineenstorting wreekten overmoed en eigenwaan zich op de dominante minderheid in een samenleving, en viel een beschaving ten prooi aan dweperij met archaïsche en futuristische visioenen of aan militair en politiek imponeergedrag. Kunst en omgangsvormen, ooit de trots van een zelfbewuste elite zochten vervolgens makkelijke successen bij het vulgus. Parlementarisme, industriële ontwikkeling en welvaart beschouwde Toynbee als evenzovele afgoden als daaraan een religieus kader ontbrak. 'De opvatting van een samenleving die alleen de mensheid omvat is een academische hersenschim', aldus Toynbee. Uiteindelijk zullen de valse profeten plaats maken voor de mensgeworden God.

Religieuze eschatologie is maar één van de wonderlijke gewaarwordingen in deze symfonische geschiedsschrijving. De lezer van A Study of History wordt niet alleen bestookt met historische wetenswaardigheden uit alle tijden en windstreken, maar ook met poëzie en mythologie, Paulinische mystiek en yin en yang.

Het is moeilijk niet onder de betovering van Toynbee's verbeeldingskracht te raken. De bezwaren daartegen - zoals de rekbaarheid van zijn begrippen, de al genoemde twijfelachtigheid van dateringen en de vermenging van feiten en fictie - zijn nu juist de bezwaren die Toynbee tegen Spenglers doemdenken opwierp. Zijn vakgenoten hebben hem dit al na verschijning van de eerste delen voorgehouden. In die tijd verscheen ook Über den Prozess der Zivilisation (1939) van Norbert Elias. Die slaagde er wel in een nauwkeuriger boekhouding van de westerse beschaving te ontwikkelen, zij het tegen de prijs van een slepend en knarsend betoog. Veel meer verwantschap bezat Toynbee met zijn land- en tijdgenoot J.R.R. Tolkien (1892-1973) die de afschuw van vulgariteit, het vertrouwen in een vindingrijke aristocratie en het geloof in een overwinning van de 'zachte krachten' vertolkte in zijn epos The Lord of the Rings (1954). Maar Tolkiens beeldspraak kon men voor zoete koek slikken zonder het als hard bewijs te hoeven aannemen.