Alles voor 'ons nationale kunstbezit'; De musea en de joodse bruiklenen

De meeste Nederlandse museumcollecties zijn in de oorlog niet geplunderd door de Duitsers. Verschillende musea zagen hun collecties juist aangroeien. Van de Duitsers kregen ze toestemming om kunstwerken te kopen uit geconfisqueerd joods bezit. Ook mochten de musea hun joodse bruiklenen aankopen. De museumdirecteuren hadden meestal niet de bedoeling om die kunst voor de eigenaren te behouden. Het ging hun puur om de uitbreiding van het Nederlandse museumbezit.

Salomon van Deventer, tijdens de oorlog directeur van het Kröller-Müller Museum, stond bij de bezetters bekend als 'deutschfreundlich'. Hij nodigde hoge nazi's uit voor jachtpartijen op de Veluwe, rijkscommissaris Seyss-Inquart kwam regelmatig bij hem op bezoek en als hij in Den Haag was liep Van Deventer altijd even binnen bij de Dienststelle Mühlmann, een instantie die in Nederland belangrijke kunstwerken voor Duitsland moest zien te verwerven. De Dienststelle Mühlmann kocht bij Nederlandse kunsthandels, maar koos ook de meest waardevolle kunstwerken uit het in beslag genomen joodse bezit en uit het zogeheten 'vijandelijk bezit': achtergebleven eigendommen van mensen die zich hadden gevestigd in landen waarmee Duitsland in oorlog was.

Toen Kajetan Mühlmann, de directeur van de Dienststelle, najaar 1940 in opdracht van Seyss-Inquart aan Van Deventer vertelde dat de Duitse staat drie zestiende-eeuwse schilderijen uit het Kröller-Müller wilde aankopen voor de verzamelingen van Hitler en Göring, stuitte hij op weinig weerstand. De deal met Van Deventer was snel gesloten. In ruil voor de drie doeken - van Hans Baldung Grien, Lucas Cranach en Barthel Bruyn de Jonge - stelde Seyss-Inquart zes ton beschikbaar waarmee het museum de collectie impressionisten mocht uitbreiden. Geassisteerd door de Dienststelle begon Van Deventer links en rechts te kopen. In Den Haag, Parijs en Berlijn verwierf hij twaalf schilderijen van onder anderen Manet, Degas, Pissarro, Cézanne, Gauguin en Sluijters. Hij vulde de collectie tekeningen, meubels en beelden aan en hij kocht van de oude meneer A.G. Kröller, de weduwnaar van Hélène Kröller-Müller die het museum had opgericht, ook nog een schilderij van Van Gogh, Rozen (1887).

Na de oorlog moesten twee doeken, van Pissarro en Degas, worden teruggegeven omdat ze in Berlijn en Parijs waren aangekocht uit door de Duitsers geroofd bezit. De rest bleef in het museum. De drie oude schilderijen kreeg het Kröller-Müller na de oorlog weer terug, zodat de collectie er bepaald niet op achteruit was gegaan.

Van Deventer heeft zijn gedrag tijdens de oorlog later verdedigd in zijn boekje De Taak (1968). Maar zelfs hierin klinkt nog het enthousiasme door voor de vele prachtige kunstwerken waarmee hij de museumcollectie had verrijkt. Ook noteerde hij tevreden: “De Reichskommissar ging met iedere koop accoord.”

De schilderijentransactie met het Kröller-Müller Museum was een uitzondering tijdens de oorlog. De kunstcollecties van de Nederlandse musea zijn door de Duitsers nauwelijks geplunderd - die collecties zouden hun immers vanzelf toevallen als Nederland eenmaal was opgenomen in het Grootduitse rijk. Maar de musea kregen wel grote problemen met de bruiklenen van joden en met het in bewaring gegeven vijandelijk bezit. De Duitse kunsthistorici van de Dienststelle Mühlmann wisten precies wat er uit deze bezittingen bij de musea te halen viel.

Lakenhal

De Nederlandse musea vielen tijdens de oorlog onder het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Kultuurbescherming (DOWK) dat in 1940 door Seyss-Inquart was ingesteld. Aan het hoofd stond de pro-Duitse professor J. van Dam. Voor alle beslissingen hadden de musea zijn toestemming nodig en Van Dam was ook het doorgeefluik voor de Duitse verordeningen. Zo gaf hij opdracht om alle kunstwerken die door joden waren gemaakt, of waarop joden stonden afgebeeld, uit de museumcollecties te verwijderen. Bij aankopen moesten de musea eerst overleg plegen met zijn departement om te voorkomen dat 'minderwaardige producten' de collecties zouden vervuilen.

Een van de eerste Duitse verordeningen waarmee de musea werden geconfronteerd, betrof het vijandelijk bezit. Al in juni 1940 moesten de musea alle kunst opgeven die ze in bruikleen of in bewaring hadden van naar Engeland gevluchte joden of andere mensen in landen die met Duitsland in oorlog waren. Het Rijksmuseum voldeed op 6 juli 1940 aan deze plicht en gaf zes bruiklenen op, waaronder het Zelfportret uit 1669 van Rembrandt, uit het bezit van de familie Rathenau, die in Engeland verbleef. Het Zelfportret werd meteen in beslag genomen door de Dienststelle Mühlmann en overgebracht naar de verzameling voor Hitlers Führermuseum. In 1946 werd het uit München gerecupereerd en een jaar later wees de Stichting Nederlands Kunstbezit het schilderij met toestemming van de eigenaren toe aan het Mauritshuis.

Verreweg de belangrijkste kunstschatten uit vijandelijk bezit bevonden zich in mei 1940 in de Leidse Lakenhal: zo'n vijftig schilderijen van zeventiende-eeuwse Hollandse meesters als Van Goyen, Van Ostade, Cuyp, Teniers en Terborch, uit de verzameling van de Duitse jood Alphons Jaffé. In 1939 vluchtte Jaffé uit Berlijn naar Londen. Zijn verzameling gaf hij in bruikleen aan het museum De Lakenhal. In februari 1940, toen de kunstwerken ook in Nederland niet meer veilig leken, wilde hij ze laten overbrengen naar Londen. Alleen het eerste transport, van twintig doeken, heeft Londen bereikt. De tien schilderijen uit het tweede transport werden in mei 1940 tegengehouden door de Duitsers en opgeslagen bij de Dienststelle Mühlmann.

Lakenhal-directeur E. Pelinck heeft de vijftig schilderijen die nog in zijn museum waren, in 1940 waarschijnlijk niet aangemeld, want in februari 1941 informeren de Duitsers naar de collectie en wordt hij eraan herinnerd dat hij verplicht is om aangifte te doen van dit niet-arische, vijandelijk bezit. Pelinck stuurt dan een lijst van alle schilderijen van Jaffé, waarop dr. Eduard Plietzsch - rechterhand van Mühlmann en een vermaard expert op het gebied van de Nederlandse schilderkunst - in maart 1941 de collectie in ogenschouw komt nemen. Plietzsch liet alles confisqueren en via de Dienststelle verdwenen de meeste schilderijen naar de verzamelingen van Göring, Hitler en Hitlers privé-fotograaf Heinrich Hoffmann. Na de oorlog zijn niet meer dan 21 schilderijen gerecupereerd en teruggegeven aan Jaffé. De rest bleef zoek.

Aan de directeur van De Lakenhal Pelinck is later verweten dat hij in februari '41 prompt voldeed aan het verzoek tot opgave van het vijandelijk bezit. Maar het is de vraag of dat verwijt wel redelijk was. Hij werd in 1941 herinnerd aan de verordening uit juni 1940 om dit bezit aan te melden. Andere musea, zoals het Rijksmuseum, hadden al veel eerder een opgave gedaan. De Duitsers wisten allang dat de Jaffé-collectie in De Lakenhal was, dus Pelinck had ook weinig keus.

Bovendien zou men dit soort verwijten aan vrijwel alle Nederlandse museumdirecties kunnen maken. Zij waren in de oorlog geen toonbeeld van heldhaftigheid, ze hebben allerlei verordeningen en maatregelen uitgevoerd en zich niet als één blok tegen de bezetters gekeerd. Als ze dat wel hadden gedaan, waren ze afgezet en vervangen door Duitsers of NSB-ers. De museumdirecteuren en -conservatoren waren allemaal even beducht dat de Duitsers hun collecties zouden aantasten en ze bleven dus op hun post. De Nederlandse regering had aan ambtenaren ook het consigne gegeven om in functie te blijven, behalve als dat in strijd was met het belang van het Nederlandse volk. De 'goede' ambtenaren konden niet veel meer dan schipperen en redden wat er te redden viel. Dat gold ook voor het museumpersoneel. Maar voor dat reddingswerk hebben niet alle Nederlandse museumdirecties zich even actief ingezet. Dat bleek in 1942, toen de musea te maken kregen met de confiscaties van alle kunstwerken uit joods bezit.

Aziatica

In augustus 1941 moesten de joden hun geldelijke vermogens onderbrengen bij de bank Lippmann-Rosenthal & Co aan de Amsterdamse Sarphatistraat (Liro). Op 21 mei 1942 kwam de verordening om 'collecties van alle soorten kunstvoorwerpen, voorwerpen van goud, platina of zilver, alsmede bewerkte en onbewerkte edelstenen, halfedelstenen en parels' bij de Liro in te leveren. Voor de musea betekende dit dat ze al hun bruiklenen van joden moesten afstaan aan de Liro. Via de Liro gingen de kunstwerken naar hoge nazi's of ze werden verkocht op veilingen en aan kunsthandels.

Nu het nationale kunstbezit - waar de langdurige bruiklenen ook min of meer deel van uitmaakten - bedreigd werd, kwam het departement in het geweer. Een van de hoge ambtenaren op het DOWK was de anti-Duitse J.K. van der Haagen, chef van de Afdeling Wetenschap en Kultuurbescherming. Van der Haagen ging meteen na de verordening van 21 mei met de Liro praten en wist te bereiken dat de musea hun joodse bruiklenen nog even mochten houden. Aan de musea schrijft hij op 2 juni 1942 om nog niets in te leveren. Wel moeten de musea aan het DOWK een precieze opgave verstrekken van alle 'joodsche vermogenswaarden (-) die thans als bruikleen in de door U beheerde instelling aanwezig zijn'. In dezelfde maand juni geeft Van der Haagen aan enkele joodse kunstverzamelaars die een bijzonder waardevolle collectie hebben, de opdracht om die niet bij de Liro af te geven, maar naar het Rijksmuseum te brengen. Zo verhuist onder andere de enorme collectie zeventiende-eeuwse Aziatica van de bankdirecteur Robert May van zijn villa Zandbergen in Huis ter Heide naar het Amsterdamse Rijksmuseum.

Terwijl de besprekingen tussen Van der Haagen en de Liro doorgaan, houdt de Liro goed in de gaten dat van het joodse kunstbezit in de musea niets verdwijnt. Op 26 september 1942 legt de Liro een lijst aan van alle 'Werte aus jüdischem Besitze' die zich in de musea bevinden, inclusief de collecties die op last van Van der Haagen naar het Rijksmuseum waren gebracht. In november 1942 hebben de Duitsers genoeg van het getouwtrek met Van der Haagen: de joodse bruiklenen uit de musea moeten, voorzover de Dienststelle Mühlmann er geen belangstelling voor heeft, door de Liro nu worden verkocht. Wel krijgt Van der Haagen de toezegging dat de musea zelf 'in de gelegenheid worden gesteld (-) voorwerpen die niet van Duitsche zijde worden overgenomen tegen getaxeerde prijzen te verwerven'. Wat Mühlmann laat liggen, mogen de musea dus zelf van de Liro aankopen. Bij het ministerie van Financiën weet Van der Haagen hiervoor een half miljoen los te peuteren.

Begin 1943 laat de Liro al het joodse bezit in de musea taxeren en intussen pikken de experts van Mühlmann er hier en daar een 'reichswichtig' kunstwerk uit voor verzending naar Duitsland, zoals het Portret van architect Post door Thomas de Keyser, dat uit het Rijksmuseum werd weggehaald.

De museumdirecteuren moeten nu aan het DOWK opgeven welke voorwerpen ze voor de getaxeerde prijzen willen aankopen en welke daar naar hun 'gevoelen' niet voor in aanmerking komen en dus naar de Liro kunnen. In totaal worden door de musea zeven collecties opgekocht, plus nog drie door het Centraal Museum in Utrecht. Die drie werden in de na-oorlogse rapporten niet meegeteld omdat de directrice, C.H. de Jonge, de betaling aan de Liro zo lang wist uit te stellen dat het geld daar nooit is terechtgekomen.

Of de musea de joodse bruiklenen in hun geheel opkochten, of ook weleens gedeeltelijk, is nooit onderzocht - het museumbeleid is nog altijd een ongeschreven hoofdstuk van de Tweede Wereldoorlog. Het is dus ook niet bekend of musea wel of niet kunstwerken bij de Liro hebben ingeleverd. De correspondenties van het Rijksmuseum en het Centraal Museum die ik hierop nazocht, geven op dit punt geen opheldering.

Uit die correspondenties valt wel iets anders op te maken. Zowel het Centraal Museum als het Rijksmuseum hield zich nauwgezet aan de richtlijnen van het DOWK. “Ik was ervan overtuigd dat het Departement en in het bijzonder mr. Van der Haagen, alles in het werk zou stellen om het joodsch bezit uit handen der Duitschers te houden”, zo schreef de directrice van het Centraal Museum na de oorlog. Zijzelf heeft tijdens de oorlog steeds gecorrespondeerd met de eigenaren (of erfgenamen) van de collecties die ze in beheer had en het was duidelijk haar bedoeling om die na de oorlog aan hen terug te geven. In 1944 sloot ze zelfs in het geheim, buiten alle instanties om, een contract met de eigenaren van een grote collectie porselein en schilderijen. Hierin werd bepaald dat die eigenaren 'na het sluiten van de vrede tusschen Nederland en Duitschland' weer aanspraak konden maken op hun bezittingen.

De waarnemend directeur van het Rijksmuseum, M.D. Henkel, sloot eveneens een clandestiene overeenkomst met een van de joodse eigenaren, maar daarin werd juist afgesproken dat de collectie na de oorlog niet mocht worden teruggeëist. Het ging hier om de kostbare verzameling Aziatica die Robert May in 1942 had moeten inleveren bij het Rijksmuseum. Deze verzameling is hier altijd gebleven.

De directie van het Rijksmuseum liet zich, net als Van der Haagen, allereerst leiden door de wens om belangrijke kunstwerken 'voor de Nederlandse staat' te behouden, voor 'ons nationale kunstbezit' en als het even kon natuurlijk voor de eigen museumcollectie.

Er zijn ook andere aanwijzingen dat museumdirecties het joodse kunstbezit als een mogelijkheid zagen om hun collecties uit te breiden en zich niet geroepen voelden om dit bezit voor de oorspronkelijke eigenaren te bewaren.

Meisjesportret

In zijn gesprekken met de Liro wist Van der Haagen in 1942 niet alleen te bereiken dat de musea hun joodse bruiklenen mochten aankopen. De museumdirecteuren kregen ook toestemming om in de opslagplaatsen van de Liro te komen kijken of bij het geconfisqueerde joodse bezit kunstwerken waren die zij 'ten behoeve van het Nederlands openbaar museumbezit' wilden verwerven. Ze konden dus rechtstreeks bij de Liro kunst inkopen. De experts van Mühlmann mochten natuurlijk eerst een keuze doen en dat gold ook voor het Referat Sonderfragen dat kunst verzamelde voor Hitler, maar daarna waren de musea aan de beurt voor een inspectie van de Liro-depots. In november '42 gingen Henkel van het Rijksmuseum, Dirk Hannema van Boymans en J.G. van Gelder, directeur van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie, gezamenlijk naar de Liro om daar de kunst te bekijken. Op 1 december '42 doet Henkel aan Van der Haagen verslag van hun expeditie en hij stuurt hem ook een lijst 'van kunstwerken uit joods bezit', die zij 'belangrijk genoeg achten om door het Rijk aangekocht te worden'. Op de lijst staan 33 schilderijen en aquarellen en een enkele tekening. Er zijn ook enkele werken bij van joodse schilders, zoals een Meisjesportret (1913) van Thérèse Schwartze. Henkel vraagt zich in zijn brief af of het aankopen van deze 'Joodsche kunstwerken', gezien de 'bijzondere bepalingen', wel mogelijk is. “Misschien bevinden zich onder de door ons gekozen werken ook specimina van de zoogenaamde ontaarde kunst, zooals bijvoorbeeld de ets van Ensor en het Interieur van Rik Wouters, die eveneens aan bepalingen onderhevig zijn.”

Uit de brief blijkt dat Hannema, Henkel en Van Gelder niet alleen werken hadden uitgekozen voor het Rijksmuseum en Boymans, maar ook voor het Fries Museum en het Dordrechts Museum. Voor het Rijksmuseum had Henkel onder meer schilderijen van Witsen, Bosboom en Rochussen geselecteerd. Hij besluit zijn brief over de 'aankopen uit geliquideerd Joodsch bezit' met de opmerking: “Voor de rest zijn er zeker nog andere liefhebbers.”

Uit de hele brief blijkt dat het er niet om ging de kunstwerken voor de beroofde eigenaren te bewaren, maar puur en alleen voor het Nederlandse museumbezit.

De brief werd niet beantwoord door Van der Haagen, maar door zijn baas Van Dam, de Secretaris-Generaal van het DOWK. In een streng schrijven laat hij weten dat er, ook van Duitse zijde, geen bezwaar is tegen de aankoop, maar de doeken van joodse schilders moeten van de lijst geschrapt. Op zijn begroting maakte Van Dam geld vrij voor deze 'aankoop van voorwerpen van kultureel belang uit v.m. Joodsch bezit ten behoeve van de Rijksverzamelingen van geschiedenis en kunst'.

De meeste werken van de lijst zijn in 1943 inderdaad aangekocht maar voor zover ik kon nagaan moesten de musea ze na de oorlog weer teruggeven. Zo moest museum Boymans onder meer het schilderij De hond van Monticelli inleveren.

In zijn rapport Onze roerende schatten van wetenschap en kunst in de oorlogsjaren schreef Van der Haagen in april 1944 dat in de praktijk weinig terecht was gekomen van de museumaankopen bij de Liro.

Of behalve de werken op de lijst van Henkel nog meer werd uitgekozen en of ook andere directeuren bij de Liro zijn geweest, is onbekend.

Het Reichskommissariat van Seyss-Inquart was bereid voor de aankopen bij de Liro extra subsidie ter beschikking te stellen, maar dat werd afgewezen. Waarom is niet duidelijk - directeuren als Henkels en Hannema hadden immers geen principiële bezwaren tegen die aankopen. Maar misschien heeft hierbij een rol gespeeld dat het DOWK zelf zicht wilde houden op de museumaankopen en dus ook zelf het geld wilde verstrekken.

Door de Dienststelle Mühlmann werden de aankopen met argusogen bezien. Mühlmann vond dat de Liro geen rekening hoefde te houden met de Nederlandse musea en dat de geconfisqueerde kunst naar Duitsland moest, zoals hij in oktober '43 aan de Liro kwam vertellen.

Obstructie

Zoals nooit is uitgezocht hoeveel kunstwerken van de Liro terechtkwamen bij de musea, zo is ook nooit uitgezocht wat de Nederlandse musea tijdens de oorlog hebben gekocht bij Mak van Waay in Amsterdam en bij Van Marle en Bignell in Den Haag waar de Liro honderden kunstwerken liet veilen. Hoe is een museumdirecteur als Hannema, die de hele oorlog met de Duitsers heeft gecollaboreerd, omgesprongen met het joodse kunstbezit? In zijn jaarverslagen juichte Hannema tussen 1940 en '45 over de 'talrijke aanwinsten' die zijn museum binnenstroomden. In 1942 werd de verzameling van Boymans zelfs verrijkt 'op een wijze die nog nimmer is voorgekomen'. Waar kwam al die kunst vandaan?

En was de waarnemend directeur van het Haags Gemeentemuseum, Victorine Hefting, de enige onder haar collega's die echt obstructie tegen de Duitsers heeft gepleegd? In haar door Nienke Begemann opgetekende memoires (Victorine, 1988) vertelt zij dat in de kelders van het Gemeentemuseum 'ongeveer zeventien verzamelingen en vele losse stukken van joden' waren opgeslagen die door haar administrateur 'op zeer ingenieuze wijze' in de museumadministratie waren ingevoerd. “Dat was een moeilijk en ingewikkeld karwei, maar we hebben er veel nut van gehad toen de boeken inderdaad door de Duitsers werden opgevraagd.” Het joodse bezit was administratief zo goed verstopt dat de Duitsers het niet konden vinden en er ook niets in beslag is genomen.

    • Lien Heyting