Welzijn

In NRC-Handelsblad van 8 november beklagen zich een aantal hoogleraren over de continue stroom van alarmerende en 'opgefokte' rapporten over het welzijn in Nederland.

Deze studies worden gretig in de media overgenomen en lijken grote invloed te hebben op de politieke discussie. Dit ondanks de ernstige bedenkingen die de hoogleraren hebben ten aanzien van de wetenschappelijke waarde van deze studies en niet in de laatste plaats het oprekken van de definities voor misstanden en maatschappelijke problemen.

Van veel maatschappelijke problemen is alleen het topje van de ijsberg zichtbaar binnen de beschikbare lopende informatie-systemen en is bij beleidsmakers en preventie-werkers de behoefte groot aan achterliggende informatie. Niet om het probleem met een veelvoud te kunnen opblazen, maar onder andere om te weten hoe wijdverbreid en daardoor breder maatschappelijk herkenbaar het probleem is.

Dat laatste is niet onbelangrijk voor het vinden van aansluitingspunten voor preventie. Of het voorbeeld nemend in de Intomart-discussie over de definitie van seksueel geweld en intimidatie: een simpele knipoog kan daar in beginsel niet onder vallen, maar herhaaldeljk lastig vallen in woord en/of gebaar (waaronder knipogen) tegen de uitdrukkelijke wens van betrokkene wel.

Scheidslijnen blijven moeilijk aan te geven en het is de verantwoordelijkheid van de onderzoeker prudent hiermee om te gaan ook in de eindrapportage en berichtgeving naar de media. Maar het gaat te ver om te zeggen: laten we ons in het onderzoek (en dus ook in preventiebeleid) beperken tot de bekende, die aangemelde, gevallen. Dan slaan we een aanzienlijk deel van het probleem in brede zin over: in dit geval het seksuele geweld binnen het gezin en de kring van bekenden die zelden of nooit bij instanties als politie ter kennis komen.

Dat onderzoekers tevens gebruik maken om de aldus verkregen (indicatieve) gegevens, breder in de media kenbaar te maken, mogen we hun niet euvel duiden. We leven in een vrije democratie waarin onderzoeksinspanningen, zeker in de categorie 'welzijn', voor een belangrijk deel bepaald worden door de overheid en gelieerde fondsen (collectieve middelen) en onder contole van de Kamer. Publicatie in de media maakt onderdeel van de lobby uit, maar vergeet ook niet dat tegelijkertijd het publiek daardoor geattendeerd wordt op de relevante problemen en een betere voedingsbodem voor preventie ontstaat. Je kunt uiteraard wel eens moe worden van al die alarmerende studies, maar je kop in het zand steken is het andere uiterste.

We komen wellicht dichter bij het Utopia, maar er zullen altijd wel uitdagingen blijven om de samenleving gezond, veilig en leefbaar te houden. We kennen in Nederland wat dat betreft een aantal hardnekkige problemen die om aanpak schreeuwen: criminaliteit en veiligheid op het werk, in het verkeer en thuis, om er een paar te noemen.

Cijfers over ernst en omvang helpen daarbij op zich maar in beperkte mate, en daarom had ik liever van de hoogleraren gezien dat ze een pleidooi hielden voor meer onderzoek naar doelmatige preventie. Immers neuzen tellen is onvoldoende, we moeten ook weten wat de oorzaken zijn (identificatie van risicofactoren) en hoe deze het best zijn aan te pakken.