Uit zonder halsband

Mijn vriendin had een hond genomen. Anders had ze alleen mij als gezelschap. Het was een boxer. Als er gebeld werd, was hij als eerste bij de deur, sprong tegen de bezoekers op en kwijlde. Het was aan mij om hem uit te laten.

Mijn vriendin werkte in de bejaardenzorg. Op een avond had zij late dienst en liet ik zoals gewoonlijk Stuf uit. Ik liep een paar honderd meter langs de dijk waaraan we woonden, om vervolgens af te slaan naar het bos. Hier kon hij van de riem. Het was zo'n vochtige avond in november dat men de gordijnen dicht schuift, de kachel hoog zet en thuis blijft. Het bos was kaal. Achter de grillige gestalten van hoge bomen gromde een fabriek die verderop aan het water lag en waarvan het rossige werklicht in de lucht weerscheen. Flarden stoom verwaaiden over de boomtoppen. De hond snuffelde langs het pad, verdween in de duisternis en kwam weer te voorschijn. Ik liep rond een mistroostige vijver, vermeed de plassen en verwaardigde me een stok weg te gooien. Tot ik vond dat het vertier voldoende was geweest.

Op de terugweg passeerde ik een café. Ik was er nooit geweest. De baas had gezeten omdat hij een klant had neergeschoten. Door de glazen deur kon ik zien dat het niet druk was. Ik tastte in mijn zak naar geld en toen ik me ervan had vergewist dat het voldoende was voor een borrel, ging ik naar binnen. Ik zette me aan de bar en vroeg een jonge. Stuf lag uitgevloerd aan mijn voeten. Aan de toog zaten nog een paar mannen. Zo nu en dan wisselden ze enkele woorden met elkaar en zwegen dan weer. Onderwijl observeerden ze mij met enige spottende nieuwsgierigheid. 'Zo neus', waagde één van hen tenslotte, 'moet je er nog één?' Ik aarzelde. Eén was het plan geweest. En niet nog één. Ik moest nog wat werken. En waar begaf ik me in? 'Dat sla ik niet af', zei ik in een poging de grap over mijn neus te negeren. De man achter de tap schonk in. Het was hem. Uit de gevangenis ontslagen. Naar men zei, mocht hij nooit meer schenken. We proostten. Namen een slok. Maakten een grap als mannen onder elkaar en zwegen weer. Zo nu en dan kwamen gasten binnen en namen plaats aan een van de tafeltjes. Ik voelde in mijn broekzak en telde mijn geld. Het was niet genoeg voor een rondje. 'Wil je er nog één?', zei de man naast me alsof hij mijn gedachten had geraden.

'Nee', zei ik. 'Trouwens mijn geld is op.' 'Je krijgt er een van mij als je laat horen hoe je hond blaft.'

Ik blafte. Mijn hond lichtte zijn kop op en keek me aan. De mannen aan de toog schaterden. Het was een goede grap. Ik moest het nog een keer doen. Ook andere klanten vonden dat ik goed blafte. Het leverde een borrel extra op uit het publiek.

Een omvangrijke dame had aan de andere kant van mij plaatsgenomen in gezelschap van een Noorse zeeman. Enkele weken daarvoor was ik met collega's in Oslo geweest. Ik had enkele regels van het volkslied opgepikt. Kwam dat even goed van pas. Ik zong ongevraagd voor de zeeman: 'Ja, vi elsker dette landet som det stiger frem ...' Het leverde weer een borrel op. Alleen Stuf werd nerveus van mijn gedrag. Hij stond op en jankte zachtjes. Ik had inmiddels begrip bij de dikke vriendin van de zeeman gevonden. Ik dreigde sentimenteel te worden. De Noor hield me van opzij in de gaten.

'Kun je niet voor hond spelen?', probeerde iemand die zag dat mijn glas leeg was. Ik liet me van de barkruk glijden. Stuf was opgestaan. Ik maakte zijn halsband waar de riem nog aan zat, los en gespte die om mijn eigen nek. Op handen en voeten ging ik het café door, hield halt bij de tafeltjes om te blaffen, te hijgen of een poot op te lichten. Stuf liep wanhopig en meelijwekkend achter me aan, de grap niet waarderend of begrijpend. Maar bij de omstanders viel mijn gedaanteverwisseling in de smaak. Ik moest het nog een paar keer overdoen en steeds leverde het een nieuw glas op. Ik nam niet meer de moeite de halsband af te doen en zo nu en dan nam iemand de riem om mij 'uit te laten.' Ik geloof dat mijn dikke vriendin me het 'hondentoilet', zoals ze zei, binnenleidde. Maar ik kan het me niet meer helder voor de geest halen. Ik zie me wel over de dijk naar huis lopen, als een zeeman in zware storm. De huizen deinden om me heen. Stuf liep omkijkend of ik wel volgde, voor me uit. Hij zag er kaal en onaangekleed uit zonder halsband.

Thuis had ik nog de tegenwoordigheid van geest mijn vriendin te bellen dat ik haar niet op kon komen halen. Ik hoorde haar collega die opnam, waarschuwen: 'Hij heeft wel een dikke tong.' Mijn vriendin kwam uit nijd de hele nacht niet thuis. Maar daar heb ik niets meer van gemerkt.

    • Rense Royaards