Sovjet- musical; Uit de droomfabriek van Stalin

Luchtige zang en dans hoorden niet bij het ware socialisme, strijdliederen wel. Twee films uit de geschiedenis van het Sovjet-rijk.

East Side Story, Dana Ranga en Andrew Horn (Duitsland 1996). Op IDFA te zien: za 29/11, 18.00 uur, Alfa 4; zo 30/11, 10.30 uur, Calypso 1; woe 3/12, 10.30 uur, Alfa 4.

Solidarity song, the Hanns Eisler story, Larry Weinstein (Canada/Duitsland 1996). Op IDFA te zien: vr 28/11, 20.00 uur, Alfa 2; zo 30/11, 20.30 uur, Calypso 2; woe 3/12, 16.30 uur, NFM-Grolsch Zaal.

DAT DE AUTORITEITEN in de socialistische landen van Oost-Europa het niet hadden voorzien op filmmusicals is alleszins begrijpelijk. Het socialisme werd immers geacht een einde te hebben gemaakt aan alles wat een leven in vreugde in de weg staat: uitbuiting, vervreemding, armoede. Bij zoveel aardse gelukzaligheid viel moeilijk in te zien dat het nodig zou zijn de bioscoopgangers ook nog musicals voor te schotelen. Musicals zijn immers gericht op het teweegbrengen van een kortstondig gevoel van gelukzaligheid.

In een verduisterde zaal enkele uren aan de grauwe werkelijkheid van het kapitalisme ontsnappen - daarvoor bestond alle aanleiding. Maar onder het socialisme was dat niet nodig. Het leek zelfs schadelijk. Al die zang en dans leidden maar af van het grote doel: de socialistische samenleving vervolmaken en van tekortkomingen ontdoen. Zo wezensvreemd was de musical aan het Oost-Europese socialisme dat er niet eens ideologische richtlijnen voor bestonden.

Er zijn in Oost-Europa dus nauwelijks musical-films gemaakt: ongeveer veertig, tussen 1945 en eind jaren tachtig toen het socialisme werd opgeheven, zo melden de makers van de vermakelijke documentaire East Side Story die wordt vertoond op IDFA. Dat mag weinig heten, omdat de meeste landen van Oost-Europa beschikten over een heuse filmindustrie die per jaar tientallen films afscheidde. Lenin zelf immers had film aan het begin van deze eeuw uitgeroepen tot een van de voornaamste breekijzers om het hart der proletaren te winnen.

Maar juist de structuur van die filmindustrie was een belemmering voor de musical. Dit genre vergt immers veel inspanning: er is veel regie nodig voor al die dansers, het gaat vaak mis bij het opnemen van de massascènes. Een filmstudio die werkte volgens de normen van de planeconomie, en per jaar een bepaald aantal films moest maken, had geen behoefte aan bewerkelijke producten.

En dan zwijgen we nog over de tekortkomingen in de infrastructuur, die evenmin uitnodigden tot grootscheepse ondernemingen. Zo kon het grote plateau van de Oost-Duitse filmstudio's in Babelsberg slechts zeven minuten achtereen volledig uitgelicht blijven, omdat anders het ziekenhuis in het naburige Potsdam zonder stroom kwam te zitten.

Dana Ranga en Andrew Horn beginnen hun film, die vooral over de Oost-Duitse musical gaat, terecht in de Sovjet-Unie van de jaren dertig. Want wat je verder van kameraad Stalin zeggen mag: hij had - tegen de heersende richting in - de musical wél in het hart gesloten. East Side Story laat daarvan prachtige staaltjes zien, onder andere uit Vrolijke jongens van Grigori Aleksandrov, ook bijzonder omdat daarin een heuse Sovjet-jazzband optreedt. Maar de meester in het genre was toch wel Ivan Pirijev, wiens vrouw Ljoebov Orlova de ster was in films die enigszins aan de Hollywood-spektakels van Busby Berkeley doen denken. Maar met een andere strekking natuurlijk: niet kleinburgerlijk liefdesgeluk is de inzet van alle dromerijen, maar een andere, betere toekomst die in Sovjet-land al is aangebroken. Onvergetelijk zijn de balletten tussen de weefmachines in een fabriek en een gespierd koor van tractorbestuurders - een soort Sovjet-film waarvan de intrige wel als boy meets tractor werd omschreven.

De Sovjet-intelligentsia wilde van dit soort films natuurlijk weinig weten. Al te veel cinematografische alternatieven waren er echter niet onder Stalin, te meer omdat de leider meer kunstzinnige producten als burgerlijk formalisme aan de kaak liet stellen en initiatiefnemers in die richting voor hun leven moesten vrezen. Natuurlijk waren er in het Sovjet-Rusland van voor de Grote Patriottische Oorlog al marxisten die meenden dat er in het socialisme geen plaats was voor een 'droomfabriek' à la Hollywood. Maar Stalin lapte deze mening aan zijn laars en kon daarbij verwijzen naar een Lenin-woord: ook onder het socialisme moet de kunstenaar een dromer zijn.

Het nadeel van deze situatie was wel dat na de (gedeeltelijke) destalinisatie in het Oostblok van 1956 de socialistische filmmusical gold als een bij uitstek stalinistisch genre, dat derhalve met de andere tegenstrijdigheden uit de stalinistische periode in het graf kon worden bijgezet. Het mag dus al met al een wonder heten dat er bijvoorbeeld in de DDR tussen 1958 en 1962 nog een handjevol filmmusicals is gedraaid.

East Side story is een voorbeeldige documentaire. De documentairemakers houden zich verre van goedkoop effectbejag of nostalgie, terwijl ze recht doen aan de ideologie en de economische basis van de Oost-Europese filmindustrie. Dat zo'n zakelijke, analytische aanpak bij de behandeling van het culturele erfdeel van het Oost-Europese socialisme nog geenszins vanzelf spreekt, blijkt uit de documentaire Solidarity song, the Hanns Eisler story. Wat deze, eveneens op IDFA te vertonen film moeilijk te verteren maakt, is de onkritische, beetje huilerige benadering van het onderwerp.

De componist Eisler is vooral bekend als componist van pittige communistische strijdmarsen in de jaren twintig en dertig, waaronder het Solidaritätslied uit de filmtitel. Dat Eisler, die de Tweede Wereldoorlog als componist van filmmuziek in Hollywood had overleefd, door de communistenjagers van McCarthy de Verenigde Staten wordt uitgegooid, is iets waarover in de film nogal verontwaardigd wordt gedaan. Op dezelfde toon wordt verteld dat Eisler - eenmaal in de DDR aangeland - van overheidswege de kunstzinnige duimschroeven kreeg aangedraaid.

Maar dat de strijdmarsen waaraan Eisler in de jaren dertig zijn medewerking verleende mede ten doel hadden de arbeiders ervan te overtuigen dat fascisme en burgerlijke democratie één pot nat waren, zodat verdediging van de democratie tegen Hitlers machtsgreep niet opportuun was, komt in het geheel niet aan de orde. Om nog maar te zwijgen van de verheerlijking van een van de bloedigste dictaturen van onze eeuw in Eislers liederen. Dit aspect van Eislers leven wordt geheel aan het oog onttrokken door veel nostalgisch gedoe over goede bedoelingen.

Met zo'n lankmoedige, weinig politieke behandeling van het communistische erfdeel zou het maar eens afgelopen moeten zijn.