Quiet days in Saigon

Het Majestic Hotel in Saigon leek mij een goede plaats om Graham Greene's The quiet American nog eens te lezen. Weliswaar brengt de hoofdpersoon meer tijd door in de Rex dan in het Majestic en is het beroemde dakterras van dat hotel nog altijd in full swing, maar vanuit het Majestic Hotel heb je een beter uitzicht over de Saigon River.

Als je daar uit je raam uitkijkt naar de rivier en het onbebouwde land aan de overkant is het niet moeilijk je voor te stellen hoe het was in de jaren vijftig, waarin het verhaal van Greene speelt. Althans als je de reusachtige lichtreclames van Heineken, Carlsberg, Philips en Sony even wegdenkt.

The quiet American speelt, zoals gezegd, in de jaren vijftig, dus tijdens de nadagen van het Franse koloniale regime. Sindsdien is er veel veranderd. Zo heet de stad tegenwoordig niet meer Saigon maar Ho Chi Minh Stad c.q. Ho Chi Minh City of Ho Chi Minh Ville et cetera. Dat is niet alleen omslachtig, maar ook onpraktisch. Het veranderen van stadsnamen is geen goede gewoonte. Je kunt je nog voorstellen dat Batavia werd omgedoopt c.q. teruggedoopt in Jakarta. Maar waarom Makassar moest worden veranderd in Ujung Pandang, wat klinkt als een gerecht of een verwensing maar niet als een stadsnaam, is mij een raadsel. Steden die naar politieke leiders worden genoemd hebben bovendien een bij uitstek onzeker bestaan. Zo spreken wij nu weer over St. Petersburg als 'het vroegere Leningrad' na decennialang over Leningrad als 'het vroegere St. Petersburg' te hebben gesproken. Daar schiet je niet veel mee op.

Er is in Saigon ook fysiek veel veranderd. De bekende verzuchting van de Azië-reiziger: 'Azië is één grote bouwput', valt ook hier uit menige mond te horen. Het ene hotel na het andere appartementengebouw rijst uit de grond. Het Grand Hotel is inmiddels zo petit geworden dat het nauwelijks meer te zien is. De rue Catinat, die zo vaak genoemd wordt in The quiet American, heet nu Duong Dong Khoi en ook daar ziet het er anders uit dan toen. Maar er is ook nog veel dat aan die tijd herinnert, niet alleen hotels als Rex en Majestic, maar ook het oude stadhuis, dat geïnspireerd is op dat van Parijs en dus een neo-neo-renaissance-gebouw genoemd mag worden. En er is ook nog de kathedraal, waarschijnlijk het lelijkste gebouw van Saigon, en het door Eiffel ontworpen postkantoor, zonder twijfel het mooiste. Het oude paleis van de gouverneur van Cochin-China staat er nog, maar dat van de gouverneur-generaal van Indo-China heeft moeten plaatsmaken voor een nieuw gebouw. Het werd namelijk in 1962 gebombardeerd, daarna afgebroken en vervangen door een modern paleis. De huidige functie ervan is een andere. Het heet nu het Paleis van de Hereniging. Bezoekers worden er in grote getale rondgeleid en met veel enthousiasme van de Ontvangstkamer van de President naar de Ontvangstkamer van de Vrouw van de President geleid en van de Grote Eetzaal naar de Kleine Eetzaal en zo verder. Het is niet iets waar je vrolijk van wordt.

In het Paleis van de Hereniging herinnert veel aan de bewogen geschiedenis van Vietnam in de afgelopen halve eeuw, maar de echte gedenkplaats van dit verleden is te vinden in het Museum van de Oorlogsmisdaden tegen Vietnam. Dit museum gaat voornamelijk over de oorlog tegen Amerika. Het heette dan ook eerst het Museum van de Amerikaanse Oorlogsmisdaden, maar met het oog op het toerisme is die naam later veranderd. Het museum besteedt ruime aandacht aan het lijden van de Vietnamese bevolking, de Amerikaanse militaire excessen en oorlogsmisdaden. De beelden zijn indringend genoeg om dat lijden in de herinnering terug te roepen en de teksten laten niet na het te onderstrepen. Een poging tot onpartijdigheid wordt uiteraard niet gedaan en dat valt ook niet te verwachten. Het probleem is echter wel dat zelfs de meest geïmponeerde bezoeker zich op den duur gaat afvragen waarom die Amerikanen nu eigenlijk in Vietnam zaten en waarom zij dit allemaal deden.

Het antwoord op die vraag vinden wij niet in dat museum, maar wel in het boek van Graham Greene. Dit boek vertelt het verhaal van een wat oudere, cynische Engelse journalist, Fowler, die in Saigon leeft met een jonge en mooie Vietnamese vrouw, Phuong. Zij wil met hem trouwen en hij ook wel met haar, maar dat kan niet omdat zijn vrouw weigert van hem te scheiden.

Zij leven dus in zonde en dat is onaanvaardbaar voor een jonge Amerikaan die als adviseur naar Vietnam komt, de quiet American. Deze Harvard graduate is zowel tegen het ouderwetse Franse kolonialisme als, uiteraard, tegen het verwerpelijke communisme. Er moet dus een andere oplossing komen, de Derde Kracht, die het Vietnamese volk vrijheid en democratie zal brengen. En er moet nog iets gebeuren: Fowlers vriendin moet gered worden uit de zonde waarin zij leeft en wel door met hem, Pyle, te trouwen en mee te gaan naar Amerika en een beter bestaan. Dit idee trekt Phuong wel aan en zo verlaat zij de Engelse journalist voor de Amerikaanse idealist. Maar niet voor lang. De door Pyle bewapende en gesteunde Derde Kracht doodt door onhandig getimede aanslagen veel onschuldige burgers. Deze beweging haalt zich hiermee niet alleen de ergernis van de Fransen en van de Vietminh op de hals, maar ook van Fowler. Deze komt tot de conclusie dat Pyle gestopt moet worden en zoekt contact met de bevrijdingsbeweging. Korte tijd later wordt Pyle dood aangetroffen en keert Phuong bij Fowler terug. De lezer blijft achter met alle morele ambiguïteit die zo typisch is voor het werk van Graham Greene. De strekking van Greene's boek op politiek gebied is echter minder dubbelzinnig. Zij kan worden samengevat in één zin, namelijk de uitspraak van Fowler over Pyle: 'I never knew a man who had better motives for all the trouble he caused'.

Het is een uitspraak die doet denken aan Pascals vermaarde Pensée 358: 'L'homme n'est ni ange ni bête, et le malheur veut que qui veut faire l'ange fait la bête' (zie ook onder Bolkestein). Het is dan ook niet toevallig dat Vigot, de inspecteur van de Franse Sûreté in Saigon die het onderzoek naar de dood van Pyle leidt, Pascals Pensées als ontspanningslectuur op zijn bureau heeft liggen en er soms iets uit citeert. Het is evenmin toevallig dat de Engelse journalist Vigots Pascal-citaat terstond met een ander kan beantwoorden. Maar Pyle natuurlijk niet. Die heeft al zijn wijsheid ontleend aan York Harding, de schrijver van The third force. Greene zet de sophistication van de oude wereld misschien wel wat erg scherp af tegenover de naïveteit van de nieuwe wereld, maar zijn commentaar op Pyle zou de korte samenvatting kunnen zijn van de hele ongelukkige Vietnamoorlog: 'zoveel ellende aangericht met zulke goede bedoelingen'. Dit alles is al ironisch genoeg, maar de ultieme ironie is toch wel dat heel Vietnam thans reikhalzend uitziet naar Amerikaanse investeringen, Amerikaanse toeristen en Amerikaanse dollars.

    • H.L. Wesseling