Pensioenfondsen moeten hun besturen hervormen; Menno Tamminga is redacteur van NRC Handelsblad.

Staatssecretaris De Grave van Sociale Zaken kondigde zaterdag in deze krant maatregelen aan om te voorkomen dat de pensioenvoorziening van werknemers aangetast wordt als hun werkgever failliet gaat. Maar hij zou ook het bestuur van pensioenfondsen moeten hervormen, vindt Menno Tamminga.

Als een bank failliet gaat, krijgen de spaarders tot een bedrag van maximaal 20.000 ecu (bijna 45.000 gulden) hun geld terug. Voor een verzekeraar die omvalt, zullen de gezamenlijke verzekeraars een financieel vangnet spannen. En als een pensioenfonds op de fles gaat? Dan gebeurt er niets.

In de praktijk zou een bankroet voor een pensioenfonds een unicum zijn. Pensioengerechtigden kunnen niet, zoals bij een failliete bank, aan de balie hun geld opvragen. Als er, bijvoorbeeld door foute beleggingen, te weinig geld in de pensioenkas zit, zit er weinig anders op dan de pensioenen te verlagen.

Om zulke debacles te voorkomen houdt de Verzekeringskamer namens de overheid toezicht op het bestuur van de pensioenfondsen (die geformeerd zijn door de werkgevers en werknemers in een onderneming of een bedrijfstak) en op de directies, die de dagelijkse werkzaamheden uitvoeren.

Maar wat gebeurt er met een pensioenfonds als de onderneming waarvoor het fonds werkt, failliet gaat? Die vraag is verre van theoretisch. De ondergang van Daf (in 1993) en Fokker (in 1996) heeft ernstige problemen opgeleverd voor hun pensioenfondsen en daarmee voor de pensioenuitkeringen van duizenden werknemers. Een groot aantal van hen wordt wellicht dubbel gestraft: baan weg en een verlaging van de pensioenuitkering.

Dat is extra pijnlijk omdat ook in het verleden de werkgever aan het langste eind trok bij de belangenafwegingen binnen het fondsbestuur: het Daf-pensioenfonds gaf Daf een korting op de pensioenpremie als bijdrage aan de financiële problemen, terwijl Fokker in 1987 uit het overkoepelende bedrijfspensioenfonds voor de metaalindustrie stapte omdat een eigen regeling goedkoper was.

Het pensioengat wordt veroorzaakt door de manier waarop Fokker en Daf de pensioenpremie betaalden: uit kostenoverwegingen stelden zij een deel van de premiebetaling uit tot het eind van de carrière van hun werknemers. Deze zogeheten 65-x regeling is wettelijk toegestaan. Ongeveer een half miljoen werknemers waren in 1996 aangesloten bij ruim 150 pensioenfondsen die op deze manier de premies vaststelden. Om het ontbrekende bedrag alsnog te innen claimen de pensioenfondsen bij de curatoren van Daf en Fokker respectievelijk 106 en 243 miljoen gulden.

Staatssecretaris De Grave van Sociale Zaken, die verantwoordelijk is voor het pensioenbeleid, wil de 65-x regeling terecht afschaffen. Voor pensioenfondsen die moeten omschakelen is dat een dure zaak, en mede daarom zal De Grave het kabinet een overgangstermijn van tien jaar voorstellen. Dat is veel te lang. Dat tussen nu en 2008 geen economische teruggang optreedt, lijkt zelfs voor een links-liberaal kabinet te hoog gegrepen. Een inzakkende economie en de bijkomende golf van faillissementen kan opnieuw bedrijven en pensioenfondsen in problemen brengen. De rapportage van de curatoren van Fokker over de claim van het pensioenfonds heeft nog een manco blootgelegd, dat voor de hele pensioenfondssector geldt. Is de samenstelling van het bestuur van pensioenfondsen nog wel van deze tijd? En aan wie leggen zij eigenlijk verantwoording af? De dominante rol van werkgevers en werknemers in de besturen van de pensioenfondsen is logisch gezien het karakter van pensioen (onderdeel van de arbeidsvoorwaarden, uitgesteld loon) en verklaarbaar uit het verleden, toen vooral premies werden betaald en nauwelijks pensioen werd uitgekeerd.

De positie als de wettelijk geregelde monopolist voor de pensioenregeling in onderneming of bedrijfstak heeft de fondsen afgeschermd van concurrentie en de besturen bevestigd in hun rol als weldoener. Met de vergrijzing van de babyboomers verandert de functie van de fondsen. Naast de premiebetalende werknemers en werkgevers eisen ook de gepensioneerden een beduidende rol op. Hetzelfde geldt voor ex-werknemers, de zogeheten slapers, die hun carrière elders hebben voortgezet, maar wel een pensioen(tje) hebben opgebouwd.

Het gegroeide aantal gepensioneerden en slapers dwingt de pensioenfondsen ook hun belangen af te wegen en daarover verantwoording af te leggen. De plicht voor ongeveer 300 van de grootste fondsen om een jaarverslag te publiceren is een stap naar een ruimere verantwoording.

De sociale partners vinden zichzelf mans genoeg om deze belangenafweging ook voor de gepensioneerden te maken, maar zij zien hun macht afbrokkelen. Enkele weken geleden sloten de sociale partners een convenant met de ouderenorganisaties om de invloed van gepensioneerden, met name bij ondernemingspensioenfondsen (die voor individuele bedrijven werken), te vergroten. Uniformiteit ontbreekt echter. Bij de ondernemingspensioenfondsen gaat de invloed verder dan bij de pensioenfondsen die voor complete bedrijfstakken werken, terwijl het nog anders wordt geregeld bij pensioenregelingen die zijn ondergebracht bij verzekeraars.

In plaats van deze verbrokkeling is het beter het bestuur van pensioenfondsen te hervormen. Het financiële en maatschappelijke belang van pensioenfondsen is te groot geworden om het overwegend aan de sociale partners over te laten.

De pensioengiganten maken nu een vergelijkbare ontwikkeling door als de grote ondernemingen in de jaren zeventig. De meeste grote bedrijven erkennen inmiddels dat zij naast verkoop van producten en diensten aan klanten (hun bestaansrecht), ook een maatschappelijk rol hebben. Zo ook de pensioenfondsen: van een werktuig van sociale partners naar een zelfstandige functie als financier van bedrijven en overheden en als uitvoerder van een scala aan verschillende pensioenregelingen.

In de branche bestaat de nodige angst dat nieuwkomers in het bestuur zogeheten single issue behartigers zullen zijn, voorvechters van louter eigenbelang van ouderen, jongeren, carrièremakers of vrouwen.

Die vrees is onnodig. Er is niets tegen personen uit belangengroepen (dat zijn werkgevers en werknemers tenslotte ook), als maar duidelijk is dat zij louter het belang van het pensioenfonds moeten dienen en van alle daarbij betrokkenen.