Pennebaker / Hegedus; De werkelijkheid als nuchter drama

Hun films zijn onnadrukkelijk gemaakt, maar ze cijferen zichzelf niet weg. Een gesprek met het echtpaar Pennebaker.

ONZICHTBAAR ZIJN D.A. Pennebaker en Chris Hegedus niet, maar ze beschikken wél over een eigenschap die er dichtbij komt. Met hun camera strijken ze ergens neer - in de kleedkamer van een popster, in het hoofdkwartier van een verkiezingscampagne of in een theaterfoyer tijdens de pauze van een Broadway-première. Al snel maken ze deel uit van het meubilair. Hun aanwezigheid lijkt niemand op te vallen, laat staan te storen. Iedereen gaat gewoon zijn gang, of wekt althans die indruk.

Met de voeten op tafel scheldt iemand door de telefoon hartgrondig een ondergeschikte uit. Bij een glas champagne kankeren twee heren in smoking over een bevriende collega. Intussen registreert de camera dat alles, en nog meer - asbakken op tafel, hoe iemand gedachteloos speelt met een appel. Het zijn details die het gevoel versterken dat niet het echtpaar Pennebaker daar in een hoekje van die kleedkamer zit, maar dat wij zélf erbij zijn. Op het scherm ontrolt zich geen verhaal, zo lijkt de boodschap, maar wordt ons een partje van het echte leven voorgeschoteld.

D.A. Pennebaker (72), een van de pioniers van de cinéma vérité, weet wel beter. Pennebaker is vooral bekend om zijn documentaires over Bob Dylan (Don't Look Back), over een fameus popconcert in Californië in 1967 (Monterey Pop) en over de mannen achter de verkiezingscampagne van Bill Clinton in 1992 (The War Room). In het souterrain van zijn kantoor aan Upper West Side in New York vertelt hij over de praktijk van het filmen en de makke van de theorie, regelmatig bijgevallen door zijn vrouw en artistieke partner (sinds 1975) Chris Hegedus (45). Aan de muur hangen broederlijk naast elkaar foto's van John F. Kennedy, blakend van zelfvertrouwen, zoals hij voorkomt in de film Primary (over de voorverkiezingen in Wisconsin, 1960), en David Bowie, bleek en mager, zoals hij te zien is in Ziggy Stardust and The Spiders from Mars - de eerste film gedeeltelijk, de tweede helemaal een Pennebaker-productie.

Vooral hun meest recente film, Moon over Broadway (1997), ligt Pennebaker en Hegedus nog vers in het geheugen. Die film gaat over de terugkeer op Broadway, na een afwezigheid van dertig jaar, van de populaire televisie-actrice Carol Burnett. Dat het geen glorieuze terugkeer wordt, blijkt niet meteen. We zien hoe Burnett en haar collega's zich welgemoed aan de eerste lezing zetten van het blijspel waaraan ze hun artistieke lot hebben verbonden. We zien repetities, evaluaties, brainstorm-sessies met auteur en regisseur. Nog meer repetities, nog meer evaluaties en langzaam groeiende twijfel. Hoe maken we hier nog wat van?

Maar niemand kan meer terug en de datum van de première nadert. Verschillen van mening en irritaties verzieken de sfeer. Als blijkt dat het publiek bij de try-outs nauwelijks om de grappen lacht, oppert een van de producenten zelfs te elfder ure nog een zogeheten 'grappen-dokter' in te schakelen, een tandarts uit Long Island die ieder stuk met een paar instant-grappen wat komischer kan maken. Dan komen de hyena's van de pers kijken. En gelaten wachten Burnett en haar collega's hun oordeel af, zichzelf tegen beter weten moed insprekend.

Het zien van deze film is genoeg om eeuwig respect te hebben voor de moed van acteurs en theatermakers, of om je nooit aan het toneel te wagen. Het is een nuchtere en fascinerende registratie van de moeizame wording van een theaterproductie. Het is ook een drama, zij het een onnadrukkelijk drama, met een begin, een midden en een eind, met een plot, met personages en met diep menselijke gevoelens.

Robert Drew, die in de jaren vijftig als eerste het medium film wilde gebruiken zoals het tijdschrift Life fotografie gebruikte (als een heel direct, journalistiek medium met een artistieke stijl), karakteriseerde de cinéma vérité als “toneelstukken zonder toneelschrijver”. Die omschrijving gaat voor de films van Pennebaker en Hegedus nog steeds op.

“Vaak duurt het heel lang voordat we weten wat we aan het doen zijn, waar onze film heen gaat”, zegt Hegedus. “Ook in Moon over Broadway begonnen we pas langzamerhand te ontdekken dat er een lijn in zat. De gezichten van de acteurs werden steeds meer gespannen, ze begonnen elkaar te haten. Dat werd het drama.”

Dat ze geen onzichtbare filmers waren, werd toen ook pijnlijk duidelijk, zegt Pennebaker. “Het begon leuk. Maar op een bepaald moment wil iedereen dat je verdwijnt.” Hegedus: “Wij zijn eraan gewend voortdurend te leven met de angst dat we eruit worden gegooid. We maken onszelf niet onzichtbaar. We willen alleen dat de mensen die we filmen eraan gewend raken dat we geen vragen stellen, en dat we ook niet weggaan.”

Het eeuwige debat over de grenzen tussen fictie en documentaire film heeft voor het echtpaar Pennebaker een heel praktische relevantie. “Het is altijd heel moeilijk documentaires vertoond te krijgen, en daarom vermijden wij zoveel mogelijk het D-woord”, zegt Pennebaker. “Het is een belachelijk spel, maar als het nodig is, gebruiken wij daarom termen als true life film of reality based film. De documentaires waarvoor nog belangstelling bestaat, zijn films over dieren die dieren opeten, of eindeloze aaneenschakelingen van reclamespotjes voor oliemaatschappijen of wat daarop lijkt. Het is moeilijk te verkopen dat er iets kan bestaan dat tussen documentaire en fictie in staat. Voor de meeste bioscoop-exploitanten bestaat er behalve die twee categorieën nog maar één ander ding, en dat is popcorn.”

Het gaat Pennebaker niet zozeer om de vraag hoe een film is gemaakt: met de middelen van de onderzoeksjournalistiek, of met de middelen van Hollywood. “Het gaat erom wat de visie van de filmmaker is. Iemand die acteurs en een draaiboek gebruikt, kan de waarheid van een gebeurtenis dichter benaderen dan de man die er met zijn camera echt bij is geweest. Wij maken documentaires, maar we onttrekken ons niet aan bepaalde wetten van Hollywood. We beseffen dat een film beter negentig minuten dan tien uur kan duren, en dat hij bovendien onderhoudend moet zijn.”

Ongemakkelijk ziet Pennebaker aan hoe sommige filmmakers zichzelf tot onderwerp van hun films maken, al boeit het fenomeen hem wel. Toen IDFA hem en Hegedus vroeg een top-tien samen te stellen van op het festival te vertonen films, namen ze daarin een voorbeeld van zo'n film op: Sherman's March, van Ross McElwee. Het is het verhaal van een jonge filmer die naar de streek in het zuiden van de Verenigde Staten reist waar hij is opgegroeid. McElwee volgt het spoor terug van de nog altijd gehate generaal William T. Sherman, die tijdens de burgeroorlog het halve zuiden platbrandde. Aan de generaal worden in de film weinig woorden en beelden vuil gemaakt, aan het moeizame liefdesleven en de talloze kortstondige relaties van de filmer des te meer.

“Hij breekt door de glazen muur heen door zelf voor de camera te gaan staan”, zegt Pennebaker over McElwee. “Ik zou mezelf nooit tot onderwerp kunnen maken, dat is voor mij zoiets als de scheiding tussen kerk en staat. Maar hij doet het wel, en dat is legitiem.”

“Het is”, oppert zijn vrouw, “een vorm van documentaire als therapie”.

Bij de keuze van hun onderwerpen lijken Pennebaker en Hegedus een zeldzaam gelukkige hand te hebben, maar het echtpaar bezweert dat toeval altijd een grote rol speelt. “We wilden bijvoorbeeld een film maken over een man die de presidentsverkiezingen wint”, vertelt Hegedus. “Maar George Bush voelde er niets voor. Ook Ross Perot verwierp ons plan. En zo bleven we zitten met Clinton, die volgens iedereen ging verliezen. Omdat een fotograaf al bezig was met een reportage over hemzelf, stelde zijn medewerker George Stephanopoulos voor dat we dan maar een film over Clintons staf zouden maken. We zijn daar alleen maar op ingegaan omdat het een voet tussen de deur leek.”

Het zou een gouden greep blijken. De chaotische scènes achter de schermen van de veelbewogen Clinton-campagne, de wonderlijke samenwerking tussen de piepjonge Stephanopoulos en de luidruchtige Texaan James Carville leverden een mooie film op, die - toen Clinton de verkiezingen won - zelfs voor een Oscar werd genomineerd.

“Met Carville hadden we een fantastische acteur”, zegt Hegedus. “Hij speelde voortdurend toneel, want zo is hij, als een dronken oom op een verjaardagsfeestje. Pas toen we onze beelden achter elkaar bekeken, beseften we dat we een verhaal te pakken hadden.”

Een verhaal in Pennebaker-stijl, zonder stem die alles uitlegt, maar vol beelden die zo direct en informeel zijn, dat het lijkt alsof we het allemaal met eigen ogen hebben gezien.

    • Juurd Eijsvoogel