Ook buiten Noord-Korea is het leven beroerd

In de Siberische marinestad Vladivostok staan Noord-Koreaanse gastarbeiders, gehuld in grauwe vodden, op steigers te metselen en te stukadoren. Een impressie uit het Russische grensgebied met het arbeidersparadijs van Kim Jong-il.

CHASAN, 20 NOV. Hier gebeurde het, op het rangeerterrein van Ruslands meest afgelegen grensplaats. Trein 41, die twee maal per week de oversteek naar Noord-Korea maakt, kwam enkele meters voor de Vriendschapsbrug met een hels gesnerp tot stilstand. Sasja Zorin, die een koelwagon aan het repareren was, zag hoe een brigade van zo'n vijftig Noord-Koreaanse seizoenarbeiders uit de trein sprong en terugliep naar het perron.

“Een van hen had aan de handrem getrokken”, zegt Zorin. “Ik dacht: ze hebben besloten in Rusland achter te blijven!” Maar tot zijn verbazing zochten ze een emaille speldje met de afbeelding van Kim Jong-il, de almachtige Noord-Koreaanse heerser. Bij het instappen was een van hen dat kwijt geraakt.

Zorin: “Wie geen speldje meer heeft, zeiden ze, gaat regelrecht de gevangenis in.” Ook Ljoeba, de lokettiste van station van Chasan, heeft zich verbaasd over de contractarbeiders uit het potdicht getimmerde buurland. “Ze zijn erg op zichzelf. Ze zullen nooit zeggen dat ze honger lijden. Maar als je ze een ei geeft, eten ze het met schaal en al op.”

De volgende trein vertrekt pas over drie dagen, dus heeft Ljoeba alle tijd om te vertellen over vroeger. Vanuit haar flatje kijkt ze uit op hoge wachttorens met daarachter de stoffige bergen van Noord-Korea (links) en China (rechts). “Toen de Sovjet-Unie nog bestond, reden er elke dag goederentreinen. Er ging olie, hout en steenkool naar de overkant, en wij kregen rijst, fruit en magnesium.” Maar het door prikkeldraad afgeschermde Chasan ligt inmiddels in het kapitalistische Rusland. De luiken van het pagode-achtige Dom Droezjbi (Huis van de Vriendschap) op het randje van het niemandsland zijn dichtgespijkerd - nadat Moskou de zijde van Seoul had gekozen. De dagen dat Noord-Korea voedsel exporteerde, zijn vervlogen. Nu helpt de lamme de blinde: Rusland stuurt noodhulp naar Noord-Korea. “Gisteren zijn nog acht wagons met suiker, melkpoeder en blikjes vis vertrokken”, zegt Ljoeba.

In een witgepleisterd huisje wonen Noord-Koreaanse arbeiders. “Pas maar op”, zegt de politie-inspecteur van Chasan. “Ze hebben al eens de camera van een Japanse tv-ploeg kapotgeslagen.” In een halletje staan drie telefoons zonder draaischijf: de bewoners kunnen alleen gebeld worden. Op ons geklop volgt een lange stilte. Gestommel. Overleg. Dan komt een tolk naar buiten die zich voorstelt als “kameraad Kim”, en een spoorwegingenieur, “kameraad Li”.

“Onze leider Kim Jong-il zorgt goed voor ons”, zegt Li. Zijn blote voeten steken in slippers van het merk Puma. Hij schiet naar binnen om zijn emaille speldje te halen met het vollemaansgezicht van Kim. “We hebben een goed systeem: de staat koopt de landbouwproduktie op en verdeelt alles eerlijk. Het probleem is alleen: er is geen produktie.” De 52-jarige Kim, die Russisch heeft gestudeerd aan de universiteit van Pyongyang, vult aan: “Niemand gaat dood van de honger, maar de dagelijkse porties rijst zijn te klein om een voldaan gevoel van te krijgen.”

Zoals alle gastarbeiders die op contractbasis in Ruslands Verre Oosten mogen werken (enkele duizenden per jaar), hebben Li en Kim hun vrouw en kinderen in Noord-Korea moeten achterlaten. Waarschijnlijk zijn ze vooraf gescreend; in ieder geval houdt de geheime dienst de werkbrigades nauwlettend in de gaten. “Geen foto's”, zeggen ze afwerend. En nee, binnen komen in hun huis gaat niet.

Op de Melk- en Groentesovchoze Barabasj, een nederzetting waarvan de velden doorlopen tot aan de Stille Oceaan, wonen dertig Noord-Koreanen in een voormalige kapsalon. Ook daar blijft de deur een tijdje gesloten, tot er een jongeman met een fiets naar buiten komt. “Het leven is klote”, zegt hij in het voorbijgaan. Ook hier in Rusland? “Ja hier. We krijgen wel te eten, maar geen geld.” Zenuwachtig pulkt hij aan zijn sikje. “Maar bij ons is het nog slechter. De oogst is vijf keer mislukt. We hebben geen tomaten, geen augurken, geen kool.”

Hoe erg de hongersnood in Noord-Korea is, valt niet te zeggen. Gekleurde bronnen zoals de CIA en de autoriteiten in Seoul spreken van massale sterfte. Het Internationale Rode Kruis schat dat meer dan vier miljoen Noord-Koreanen chronisch ondervoed zijn - dat is een op de vijf. Toch lijkt de Kim-dynastie niet te wankelen. Wel heeft het autarkie predikende Pyongyang de grenzen met Rusland en China op een kier gezet om de druk van de ketel te halen.

Als eigentijdse horigen kappen Kims onderdanen sinds enkele jaren bos in Oost-Siberië; en op de kade van de marinestad Vladivostok staan ze op smalle, hoge steigers te metselen en stukadoren. Achter een façade van blauw plastic hebben ze het Gouden Hoorn-hotel omgebouwd tot een tempel van het kapitalisme: een peperduur winkelcentrum met marmeren vloeren en spiegelglas. De ploeg is nu bezig aan een belendend pand.

Twee mannen met platte petten staan op de uitkijk. Wie toch de bouwplaats oploopt, stapt in een sociaal-realistische film die abrupt vastloopt. De in lompen gehulde bouwvakkers verstijven van schrik, de een met een baksteen en mortel in de hand, de ander met een kruiwagen vol puin. Niemand spreekt Russisch, zeggen ze haastig.

De Noord-Koreanen, die zeven dagen per week werken, slapen op de bouw in kamers die zijn behangen met affiches van vader en zoon Kim. De Russische aannemer zegt dat hij hun loon aan “een soort koppelbaas” uitbetaalt die een Noord-Koreaans arbeidsbureau vertegenwoordigt. De werkers zelf krijgen alleen kost en inwoning. Wie de stad in wil, moet een lijst invullen: tijd van vertrek, bestemming, doel, tijd van terugkeer. Toen de krant Vladivostok News van plan was deze details te publiceren, kreeg de redactie een telefoontje van het Noord-Koreaanse consulaat: “Welke vragen had de verslaggeefster gesteld?” Kort daarop kreeg ze een waarschuwing van agent van de Russische FSB, de opvolger van de KGB: “Pas op! De Noord-Koreaanse geheime dienst is erg ontstemd over het artikel dat je wilt gaan schrijven.”

De lange arm van Pyongyang controleert niet alleen of de gastarbeiders journalisten te woord staan, ze zijn ook beducht voor contacten met Zuid-Koreanen. Die zijn opzichtig aanwezig in Vladivostok: boven de baai met oorlogsschepen van de Pacifische Vloot torent sinds twee jaar het hotel Hyundai, dat 96 miljoen dollar heeft gekost. Het casino Versailles, waar Zuid-Koreanen black jack spelen, ligt op een steenworp afstand van de bouwplaats waar de Noord-Koreanen hun slavenarbeid verrichten.

Er is geen plaats ter wereld waar de Koreaanse tegenpolen elkaar zo diep in de ogen kunnen kijken als in Vladivostok. Op het drukke station, de eindhalte van de Transsiberië Express, zijn ze gemakkelijk van elkaar te onderscheiden: noordelingen gaan gekleed in grauwe vodden en duiken weg als je een foto wilt nemen, zuiderlingen staan met snorrende camera's op de loopbrug boven de perrons.

Scherpere contrasten zijn moeilijk denkbaar. Maar wat zegt het over de honger en de repressie in Noord-Korea? Kameraad Kim en kameraad Li in het verstilde grensdorp Chasan laten tijdschriften zien waarin de Noord-Koreaanse heilstaat wordt bezongen door juichende kinderen in uniform en een blaaskapel in een bloesemende boomgaard.

De man met het sikje op de Melk- en Groentesovchoze wil wel in detail vertellen over zijn land. Maar hij moet eerst toestemming vragen aan zijn voorman. Hij zet zijn fiets tegen het hek van de moestuin en loopt op een drafje de vroegere kapperszaak binnen. Al gauw klinkt er een luid getier in het Koreaans. De jongeman komt naar buiten, springt op zijn fiets en zegt met een glimlach: “Dazvidanja!” - “Tot ziens!”

    • Frank Westerman