Matheid en vapeurs

Over een jaar beleven wij weer het feest van de democratie, de Kamerverkiezingen. Het hoogtepunt van ons staatkundig bestel, maar sportief gezien (wie wint, wie verliest?) is er geen bal aan, want de uitslag is in grote lijnen bekend. De media hebben daar moeite mee, want zij houden van spanning, tragiek en een fotofinish. Of een aardverschuiving.

De politieke rapportage uit Den Haag lijdt daardoor aan twee ziekten: chronische matheid, onderbroken door vapeurs. En daar is het verdriet van Kamerleden die uit de kloostertuin Het Binnenhof worden verdreven. Omdat ze te zwoegerig zijn, te lui, te oud ( boven de 28) of te weinig spectaculair. De grootste zonde die een parlementariër kan begaan is dat hij zich niet 'profileert', dus niet voldoende drama creëert voor schrijvende en filmende pers. Wat moet een Kamerlid doen om media-attentie te krijgen? Het moet zich laten ontslaan. Wie kent nu Mateman niet? Of Marijn de Koning, Guikje Roethof? De twee vrouwen van D66 krijgen een grote foto en anderhalve pagina in De Groene Amsterdammer om uit te leggen dat hen onrecht is aangedaan. Wat opvalt is dat de vrouwen van D66 hun onmiskenbare gekwetstheid waardig verbergen. Onbegrijpelijker is, dat zij ondanks alle frustraties en kinnesinne, graag in het parlement willen blijven - en dat zullen zij proberen ook. Niet via het behagen van machtige mannen, zo blijkt uit een driegesprek in HP/De Tijd met de titel: “De machthebber als vrouwenjager”. Voorzover een onderwerp typerend kan zijn voor een weekblad, is dit een typisch HP-item: een zuurstok-kleurig schuimtaartje. De productie bevat een historisch-educatief deel over het paargedrag van zee-olifanten, edelherten en de Marokkaanse vorst Moelai Ismail (1672-1727) die 888 kinderen had. Dan volgt een gesprek met Guikje Roethof, Annelies Penning (mr. toch?) en Yvonne Kroonenberg. Penning valt kirrend voor macht: “De echte toppers kunnen met jou in hun vliegtuig zó naar Parijs vliegen.” Kroonenberg is ook geïnteresseerd, maar Roethof blijft degelijk. Zij denkt dat machtige mannen erg op zichzelf geconcentreerd zijn, en dat is in bed ook niet goed. Waarom laat D66 zo iemand gaan?

Een parlementslid dat wel mag blijven, is de succesrijke Jan Marijnissen van de eens zo radicale SP. Maar tegen hem en zijn partij bestaan bezwaren, en wel van oud-maoïstische collega's als Koos van Zomeren en Erik van Ree. Zij verwijten Marijnissen (in HP/De Tijd) dat die geen helderheid geeft over wat er gebleven is aan oude kaders en ideologisch geraamte. Van Ree: “Dat de SP zo buitengewoon wazig is over haar verleden vind ik verkeerd en is ook reden tot enige argwaan.” Van Zoomeren: “Wat ik wel weet is dat wij, in mijn tijd, allemaal fundamenteel onbetrouwbaar waren en meesters in manipulatie en drogredenen.”

Zo biedt Den Haag alles bij elkaar veel kleine opwinding. Elsevier interviewt minister van Financiën Gerrit Zalm, die weer als lachebekje op de foto staat. Voorop, althans: binnen kijkt hij nadenkend tot somber, dreigend zelfs.

Zo kun je door vormgeving en uitsnede van foto's de stemming rond een geschreven artikel bepalen, of de schrijver dat nu bedoeld heeft of niet. In dit geval is de toonzetting van het interview door Syp Wynia zakelijk en neutraal. Hij valt Zalm niet lastig met kritische vragen, zodat de minister kalm kan vertellen dat het nieuwe belastingstelsel veel overhoop haalt, maar de inkomensverhoudingen grosso modo intact laat. Dat is paars: geen nivellering, geen de-nivellering. Paul Marijnissen met zijn gestaalde kaders zou dat wel anders aanpakken.

En dan Zalm's collega van Onderwijs, Jo Ritzen. Een Kamerlid stuurt men weg door kritiek te leveren, een minister door hem de hemel in te prijzen. Dat laatste gebeurt volgens Kees Schaepman en Max van Weezel (Vrij Nederland) met de wise guy van dit kabinet. Hij wordt alom geprezen om zijn scherpzinnigheid, hij is een man wereldniveau - en dus moet hij weg uit Holland, en zeker bij onderwijs.

Hoewel, zegt zijn socialistische partijgenoot, Kamerlid Peter Rehwinkel, vriendelijk: “Maar je moet Jo nooit te vroeg afschrijven. Hij is zo taai als een reptiel.”

    • W. Woltz