Kindsoldaten zijn onacceptabel

Vandaag wordt tijdens de Internationale Dag voor de Rechten van het Kind aandacht geschonken aan de 'kindsoldaten'. Kinderen horen volgens Joke Oranje en Hendrik Jan ter Bals niet in het leger.

In iedere oorlog wordt veel vernietigd of ernstig beschadigd wat in de loop der eeuwen met liefde, zorg en moeite door opeenvolgende generaties is opgebouwd. Dat geldt niet alleen voor materiële zaken als steden, dorpen, gebouwen en infrastructuur, het geldt met name ook voor de intermenselijke verhoudingen. In veel landen blijken volwassenen daarnaast bereid en in staat om hun eigen kinderen mee te slepen in deze vernietigingsdrang. Kinderen die de toekomst gestalte zouden moeten geven, zijn kinderen van de rekening.

Het heeft lang geduurd voordat het protest op gang kwam tegen dit misbruik van kinderen. De belangrijkste reden daarvoor is dat er, tot voor kort, bijna niets bekend was over de feitelijke positie van kinderen in legers en milities. Dat is begrijpelijk, want het werd stelselmatig verborgen gehouden door alle strijdende partijen: zowel de officiële regeringslegers als de oppositionele milities. Beide hadden geen behoefte aan lastige partijen.

Langzaam kwamen de feiten echter boven tafel. Het regeringsleger in Mozambique stuitte enige jaren geleden op RENAMO-moordcommando's die bestonden uit kleine jongens. Zij waren de laatste overlevenden uit platgebrande en uitgemoorde dorpen. Zij werden streng gedrild en vervolgens gedwongen tot het uitmoorden van mensen in andere dorpen door hen de keel af te snijden. Die andere dorpen behoorden vaak tot hun 'eigen regeringsmensen'.

Hulpverleners sloegen alarm bij deze ontdekkingen en journalisten en televisieploegen begonnen de beelden ervan vast te leggen. Vervolgens probeerden de hulpverleners, onder anderen van Save the Children, met deze (veelal nog zeer jonge) jongens te praten. Zo hoorden zij de gruwelverhalen van de gedwongen moordpartijen. Later spraken zij ook met Oegandese kinderen die gekidnapt waren door het zogenoemde Resistance Army of the Lord en hoorden soortgelijke verhalen.

In Angola zijn in de afgelopen jaren gelukkig een paar duizend kindsoldaten gedemilitariseerd, maar schattingen van daar werkende NGO's gaan er van uit dat aan beide zijden in de burgeroorlog in dat land (die officieel al vier jaar geleden is afgelopen) nog zeker (tien)duizenden kindsoldaten meestrijden.

Ook dichter bij huis kennen we kindsoldaten: de Bosnische jongeren die hun uitgemoorde familie willen wreken. De jongeren die toetreden tot de IRA om nu eindelijk eens af te rekenen met de onderdrukkers, of de jongeren uit Tsjetsjenië die, vol haat, bereid zijn tot zelfmoordacties tegen alle Russen, als het moet zelfs tot in het hart van Rusland: Moskou.

Inmiddels is ook uit waarnemingen van Artsen zonder Grenzen, de Quakers en nog enige andere NGO's bekend geworden dat speciale kindermilities in de burgeroorlog in Liberia en Sierra Leone meevechten. In een opvangkamp, waar 370 gevluchte kinderen verblijven, werd uit de verhalen duidelijk dat kinderen worden gedwongen mee te doen aan massaslachtingen. Kinderen zijn getuige geweest van brutale verminkingen en martelingen en werden zelf gedwongen mee te doen. Zij moesten heroïne of cocaïne gebruiken omdat dat hen murw maakte. Zo deden ze alles om tenminste min of meer behoorlijk behandeld te worden, te eten te krijgen en een schamel dak boven het hoofd te hebben.

Ook bleek dat door het voedsel van de kinderen regelmatig buskruit werd gemengd om hen wakker te houden op spannende momenten in de strijd. Van de onderzochte kinderen in de opvangkampen had tachtig procent gescheurde trommelvliezen. Merkwaardig daarbij was dat er geen gewonde kinderen in dit opvangkamp waren. De andere kinderen weten niet waar de gewonden gebleven zijn. Ze waren er wél, wisten ze.

Tien van de 370 kinderen waren meisjes. Ze hadden hetzelfde meegemaakt als de jongens, maar waren bovendien allemaal seksueel misbruikt door de volwassen mannelijke soldaten. In hun cultuur, waarin vrouwen alléén bijna niet kunnen overleven, is dat bijna een doodvonnis, omdat ze zo nooit meer kunnen trouwen. Alleen als hoer kunnen zij nog door het leven gaan: dankzij de oorlog.

Tegen deze achtergrond is het Internationaal Bureau van de Quakers bij de Verenigde Naties in Genève een actie begonnen voor herziening van artikel 38 van de Conventie voor de Rechten van het Kind. In het voorstel tot herziening gaat het om de verhoging van de minimumleeftijd voor de recrutering van jeugdigen in legers en milities van 15 tot 18 jaar. Over dit voorstel wordt in januari een besluit genomen in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties.

Als het gaat om kindsoldaten, staat Nederland op het standpunt dat jongens en meisjes vanaf hun zestiende verjaardag in het leger kunnen gaan. De leerplicht is dan immers afgelopen en de arbeidsmarkt ligt open, dus ook de arbeidsmogelijkheden als beroepsmilitair, voor kortere of langere tijd. Dit Nederlandse - internationaal gezien - bijzondere standpunt over het toekomstig Aanvullend Protocol op de Conventie voor de Rechten van het Kind deelt ons land met een paar andere landen, waaronder Groot-Brittannië en Nieuw-Zeeland. Maar de arbeidsrechtelijke motieven die worden gegeven, hebben niets met de kern van de zaak te maken: het verhinderen dat kinderen, waar ook ter wereld, worden gerecruteerd.

Het is een schandvlek op onze wereld dat kindsoldaten bestaan. Voorkomen moet worden dat deze schandvlek wordt meegedragen naar de 21ste eeuw.