Informatie; Wat woorden zeggen bij beelden

Hoeveel voorkennis mag een maker van documentaires verwachten van zijn publiek? Niet te veel, maar zeker niet te weinig.

BEELDEN van een snelweg, gemaakt uit een rijdende auto - daarmee begonnen in mijn herinnering al te vaak documentaires en tv-reportages. Waarom moesten we auto's door Amerika of Afrika zien rijden? Ik geloofde heus wel dat de makers op reis waren gegaan. Waarom konden ze niet meteen beginnen met het onderwerp van hun reportage? Pas later begreep ik het nut van de snelweg. Terwijl de regen over de voorruit liep of de zon onderging achter de volgende bocht konden ze middels een voice-over dingen vertellen waarvoor geen tijd meer zou zijn als de plaats of mens van bestemming eenmaal in beeld was.

Zulke snelwegen zijn een handig visueel cliché waarvoor veel documentairemakers hun neus zijn gaan ophalen. Zij weten hun materiaal eleganter te introduceren. Maar er zijn ook documentaristen die helemaal geen snelwegen in hun film stoppen. Zij vallen met de deur in huis en geven ook verderop in hun film nauwelijks achtergrondinformatie. Het materiaal moet voor zichzelf spreken. Maar vaak doet het dat pas als de kijker genoeg kennis heeft van het onderwerp om die illusie tot stand te brengen.

Hoeveel voorkennis mag een documentairemaker van zijn publiek verwachten? De Nederlandse documentaire Can't You Hear Me Singin' van Walter Stokman, die een paar weken geleden in de bioscoop draaide, gaat over vier Afrikaans-Amerikaanse muzikanten. Van een van hen werd de naam niet genoemd. De kijker moest hem herkennen. Mij daagde het pas dat de treurige muzikant die in een achterafzaaltje een optreden voorbereidde de legendarische Ike Turner was toen één van Turners achtergrondzangeressen over Tina begon te spreken.

Misschien wilde Stokman zijn publiek niet betuttelen door te vertellen wat ze heus wel wisten; van de mensen die naar zijn film zouden gaan, mocht hij deze kennis verwachten. Toch wordt Bill Clinton in de kranten altijd 'de Amerikaanse president' genoemd, hoewel de redactie ervan kan uitgaan dat de lezers wel weten dat Clinton dit ambt bekleedt. Het herhalen van zulke feiten heeft nog een andere functie. Door iets te vertellen wat je al weet, word je ontvankelijker voor wat je nog niet weet. Karel van het Reve (ja, de Nederlandse schrijver) heeft eens geschreven dat het in een tekst over Kant goed is te vermelden dat hij een bekende Duitse filosoof is die in Koningsbergen woonde, en dat het zelfs geen kwaad kan ook nog te vermelden dat Koningsbergen tegenwoordig Kaliningrad heet, ook als dat niets met het onderwerp van je betoog te maken heeft. “Een mededelingenstroom (...) waarvan alle onderdelen evenveel en even begrijpelijke informatie bevatten, is volgens mij nauwelijks opneembaar”, schreef Van het Reve.

Wat voor teksten geldt, geldt ook voor documentaires. Die kunnen zowel met woorden als met beelden informeren. Uit de aard der zaak geven de meeste filmers de voorkeur aan visuele informatie. Een beeld zegt meer dan duizend woorden, meldt de gemeenplaats, en wat je ziet hoef je niet ook nog eens te vertellen.

Toch kunnen woorden de betekenis van een beeld vergroten. De biografische documentaire Mandela van Jo Menell en Angus Gibson, die op IDFA wordt vertoond, begint met helikopterbeelden van de geboortestreek van de Zuid-Afrikaanse president in de Oostkaap. Het is een prachtig landschap: hoge heuvels overdekt met het groenste gras. Het lijken beelden die voor zich spreken. Toch geloof ik dat een paar opmerkingen van Mandela, die in de documentaire uitgebreid aan het woord komt, de beelden meer lading hadden kunnen geven. Vindt hij het een mooi landschap? In een portret kan een opmerking daarover iets zeggen over de verhouding die de man heeft met het land waarvan hij president is.

De filmmakers hebben er meer moeite mee de woorden van Mandela voor zich te laten spreken. Als hij over zijn moeder vertelt, komt er subiet zomaar een oude vrouw in beeld. Zulke illustraties doen vermoeden dat de makers geen hoge pet op hebben van de verbeeldingskracht van hun publiek.

Een heel andere relatie tussen woord en beeld wordt getoond in een tweede Zuid-Afrikaans voorbeeld. Voor Miss Interpreted (Marlene Dumas), die nu langs verschillende filmhuizen rouleert, reisden Rudolf Evenhuis en Joost Verhey met de in Nederland wonende kunstenaar Marlene Dumas terug naar Zuid-Afrika, waar Dumas is opgegroeid. Evenhuis en Verhey voerden gesprekken met familie en vrienden en filmden een diner in huize-Dumas. De camera blijft ook lang gericht op de zwarte bedienden in de keuken. Hun hebben de makers geen stem gegeven. Betekenen deze stille beelden dat Evenhuis en Verhey hun ervaringen voor deze documentaire niet relevant vonden? Dan hadden ze die ook kunnen weglaten. Of geven deze zwijgende opnames juist een schrijnende indruk van de verhouding tussen blank en zwart, een paar jaar na de opheffing van de apartheid? Dumas spreekt daar wel over met haar familie, maar niet met het personeel.

In Miss Interpreted wordt wel meer gezwegen, maar dan is het resultaat vaak weinigzeggend. Zo staat bijvoorbeeld in het persbericht over de film dat Dumas op dit moment een van de dertig bekendste kunstenaars ter wereld is. Het lijkt me een mededeling die ook voor de kijkers van de film van belang is, maar hun wordt hij onthouden, zoals veel achtergrondinformatie de kijker niet wordt gegeven.

Deze informatieschraalte kenmerkt meer documentaires, slechte en goede. Vooral bij documentaires die een onbekend maatschappelijk verschijnsel in beeld brengen, kan dat hinderlijk zijn. Ik kan me bijvoorbeeld herinneren dat ik me bij het kijken naar de in veel opzichten uitmuntende film Paris is burning van Jennie Livingston over travestieten in New York steeds vragen stelde over de omvang van haar onderwerp: hoeveel van deze drag queens zijn er eigenlijk in New York?

Het is vast moeilijk zulke gegevens in een documentaire op te nemen, als die een strakke vorm heeft of bijvoorbeeld gemaakt is volgens het 'fly on the wall'-principe, waarbij camera en microfoon slechts registreren wat er op een bepaald moment te zien en te horen is. Maar waarom verschijnt er dan voordat de film begint niet even een korte informatieve tekst op het doek? Visuele poëzie en sfeertekening, zo uitbundig aanwezig in veel IDFA-documentaires, maken nu eenmaal meer indruk als ze in je hersens op feiten kunnen worden aangesloten.

Veel regisseurs gaan er waarschijnlijk vanuit dat hun film niet in een vacuüm wordt vertoond: de recensenten lezen het persbericht en het publiek leest de recensies of het programmaboekje. Of de makers houden van raadsels. Walter Stokman vond het misschien juist wel goed dat kijkers er pas gaandeweg achterkomen dat die verlopen muzikant Ike Turner is. De schok over zijn aftakeling was op deze manier inderdaad groter dan als ik meteen had geweten naar wie ik keek.

Op het IDFA draait een korte film die de draak steekt met al te puriteinse opvattingen over informatieverstrekking. Killer boots van Kjell-Ake Olsson toont ons het productieproces in een Engelse fabriek van Doc Martens-schoenen met stalen neuzen. Daarnaast kwamen mensenhoofden in beeld waarover een voice-over belachelijk precieze informatie gaf inzake volume en gewicht. Pas achteraf verscheen er een tekst op het doek die voorgoed het verband tussen die twee onderdelen van de documentaire legde. Een paar Doc Martens was als bewijsmateriaal gebruikt in een rechtszaak tegen de skinhead die ermee tegen een hoofd had getrapt.

INFORMATIE

    • Bianca Stigter