Een wereld in duizend verhalen

Een klein festival in het bos groeide uit tot het allergrootste documentaire-festival in de wereld. Kritiek en solidariteit bij het tweede lustrum. Feit-Fictie-Fake: Documentaire in beweging. Redactie: Jos van der Burg, Mark Duursma, François Stienen. Uitg. International Theatre and Film Books. 113p. Prijs: ƒ 15,00.

VIER 'GRAND OLD MEN' van de Nederlandse documentaire (Haanstra, Vrijman, Van der Elsken, Van Gasteren) drukken een stempel op de jubileumeditie van het International Documentary Filmfestival Amsterdam (IDFA). Het toeval heeft daarbij een handje geholpen. Hoewel het overlijden van Bert Haanstra (1916-1997) en Jan Vrijman (1925-1997) niet helemaal onverwachts was, kon pas in een laat stadium worden besloten een hommage te brengen aan beide vrienden van het festival. Haanstra was de eerste die in 1988 een Top-10 van favoriete documentaires samenstelde. Vrijman trad twee jaar op als directeur van IDFA en lang daarna als bestuurslid en éminence grise. Het retrospectief op de ongepolijste films van fotograaf en filmer Ed van der Elsken (1925-1990) vereiste zo veel research dat het eerst nu klaar is voor vertoning. En het verjaardagsfeestje van het festival voor Louis van Gasteren (hij is 20 november 75 jaar geworden) heeft een vrij spontaan karakter, mede ingegeven door de voltooiing van het aan hem gewijde televisieportret Een kettingzaag voor het verleden door Ad 's-Gravesande.

Toch zijn Haanstra, Vrijman, Van der Elsken en Van Gasteren passende steunpilaren van tien jaar IDFA, een instituut dat veel heeft bijgedragen aan de terugkeer van de documentaire in het bewustzijn van het brede bioscoop- en televisiepubliek. Vrijman, Van der Elsken en Van Gasteren schopten vanaf de jaren zestig met succes aan tegen de documentaire traditie van Haanstra en, in mindere mate, Herman van der Horst. Het maatschappijkritische kader van hun filmisch verzet komt overeen met dat van IDFA, dat zijn hoofdprijs vernoemde naar de meest expliciet politiek geëngageerde Nederlandse documentarist Joris Ivens (1898-1989). Ruim een half jaar voor zijn dood, in december 1988, werd de eerste Joris Ivens Award uitgereikt, ex aequo aan een Nederlandse filmmaker (Karin Jünger) en een Russische (Roeben Gevorkjanz). De beginjaren van IDFA stonden sterk in het teken van de Oost-Europese documentaire. Door perestrojka en glasnost werden voor het eerst sinds zeventig jaar filmers uit de voormalige Sovjet-Unie in staat gesteld in vrijheid over hun samenleving te berichten. IDFA greep de kans een Westers platform te bieden aan hun interessante werk, dat het jonge festival meteen een stevige internationale reputatie verschafte. Inmiddels is er van die nieuwe Oost-Europese documentaire traditie weinig meer over, door de geringe economische armslag voor onafhankelijke documentaires in de voormalige volksrepublieken.

IDFA is voortgekomen uit het zogeheten Festikon, een jaarlijks festival (1961-1987) dat in de herfstvakantie door het Nederlands Film Instituut werd georganiseerd voor films, voornamelijk documentaires, die konden worden gebruikt in onderwijs en vormingswerk. Omdat de traditionele locatie de Singer Concertzaal in het bosrijke Laren (NH) was, heette de prijs van het Festikon 'de Gouden Eekhoorn'. Jan Vrijman heeft er wel eens een gewonnen, Bert Haanstra, die in hetzelfde dorp woonde en werkte, kwam soms buurten. Hoe verschillend de filmende journalist Vrijman en de bezeten beeldperfectionist Haanstra ook mochten denken over de filmvorm, geen van beiden misstond op een bijeenkomst waar films werden vertoond om er iets van te leren. Noemde de onderwijzerszoon Haanstra dat bij voorkeur 'iets opsteken', ras-Amsterdammer Vrijman verwees vaak naar de jiddische traditie van het lernen. En Louis van Gasteren maakte in dezelfde periode een reeks ironisch-educatieve filmpjes over kijken en beeldvorming, getiteld DO YOU GET IT?

De perschef van de laatste Festikon-edities, Ally Derks, slaagde in 1988 erin, samen met enige bevriende medestudentes theaterwetenschappen uit Utrecht, het Nederlands Film Instituut te bewegen het Festikon te transformeren tot een internationaal festival in Amsterdam. Twee jaar later was Ally Derks directeur van een zelfstandig festival, met een eigen bestuur en een zo goed als volledig vrouwelijke staf. Hun enthousiasme en dadendrang konden vrijwel direct op grote steun rekenen, zowel in eigen land als bij de kleine internationale documentairegemeenschap. De locatie in het centrum van Amsterdam en de intieme, informele sfeer van het festival waren daarbij belangrijke troeven. Met kunstenaarssociëteit De Kring aan de overkant van het Kleine-Gartmanplantsoen als vaste pleisterplek in de kleine festivaluurtjes nestelde IDFA zich in het voormalige hart van de hoofdstedelijke bohème. Zo herleefde één week per jaar de oude functie van het Leidseplein en omgeving, als natuurlijke habitat van Vrijman en Van der Elsken en hun generatiegenoten, in 1982 nauwkeurig op film gedocumenteerd door Van Gasteren in Hans, het leven voor de dood.

Het eerste IDFA beschikte over een budget van ruim 100.000 gulden en trok drieduizend bezoekers. Vorig jaar waren dat er ongeveer 50.000 (meer dan enig ander documentairefestival in de wereld) en werd er gestreefd naar een budget van idealiter 2,5 miljoen gulden. In deze periode van permanente, gestage groei zijn de uitgangspunten, hoofdlocatie en kern van de festivalstaf nauwelijks gewijzigd. Je kunt dat een klein wonder noemen. Maar je kunt ook de vraag stellen of de geamendeerde uitgangspunten van het Festikon, waar de inhoud en de maatschappelijke bruikbaarheid van documentaires belangrijker werden gevonden dan hun vorm of de kunstzinnige waarde, nog wel bruikbaar zijn voor een documentairefestival met de reikwijdte en invloed van IDFA.

Nog steeds is directeur Ally Derks de enige die beslist welke films op IDFA wel of niet worden vertoond, zoals dat gebruikelijk is op filmfestivals met een duidelijke signatuur. Naast de competitie om de Joris Ivens Award (in de loop der jaren teruggebracht van ongeveer veertig naar circa twintig titels), besteedt programmeur Derks veel aandacht aan thematische programma's. Behalve (landen-)retrospectieven, de carte blanche voor een bekende documentairemaker (dit jaar het koppel D.A. Pennebaker en Chris Hegedus), een debutantenprogramma en de restcategorie Reflecting Images, zijn dat veelal programma's met een thematische of politieke ordening. Zo waren er in het verleden programma's gewijd aan migratie, aan de waterhuishouding en aan de propagandafilm. Dit jaar staan films uit 'ontwikkelingslanden' centraal (de sectie Platform), evenals multiculturele kunstuitingen, vooral muziek (de sectie Interaction!). Juist deze politiek-correcte thematische programmering, die gezien de historische achtergrond van het festival begrijpelijk is, komt in toenemende mate onder vuur te liggen.

In een als felicitatie aan IDFA bedoeld hoofdartikel in De Filmkrant van deze maand schrijft Mark Duursma: “Hoe prachtig ik het festival ook vind, en hoe graag ik er ook kom, door de jaren heen is mijn overheersende gevoel dat te veel films hun vertoning uitsluitend te danken hebben aan het programmaonderdeel waarin ze worden vertoond. Van harte Ally, maar je festival wordt nog mooier met meer sterke films en minder samenhang.”

Anderen menen dat de doelstelling van IDFA om 'samenhang en inzicht in onze gefragmentariseerde werkelijkheid' te bieden, niet is gerealiseerd. In zijn lustrumbeschouwing in Skrien stelt Jan Simons: “Een enkele blik op de registers van de negen catalogi van IDFA leert echter dat van een samenhang in de verbrokkelde werkelijkheid althans in de programmering niet veel terug te vinden is.”

Ter gelegenheid van tien jaar IDFA verschijnt ook een bundel beschouwingen, Feit-Fictie-Fake, documentaire in beweging, onder redactie van Jos van der Burg, Mark Duursma en François Stienen. In het artikel 'De Nederlandse documentaire 1970-1997: Van linkse idealisten tot postmoderne bedriegers' signaleert Dana Linssen eveneens een fragmentarisering in de ontwikkeling van de Nederlandse documentaire: “De werkelijkheid mag dan in duizend stukken uiteen zijn gevallen, dat betekent voor deze filmmakers alleen maar dat er nu duizend verhalen te vertellen zijn.” Even verderop stelt ex-festivalstaflid Miryam van Lier in 'Tien jaar IDFA: de strijd tussen actueel en creatief': “Het lijkt erop dat IDFA's streven een platform voor de creatieve documentaire te vormen soms op gespannen voet staat met de maatschappelijk-culturele taak die men zichzelf en de geselecteerde documentaires stelt.”

De teneur in al deze geluiden is kritische solidariteit met een festival dat in zijn eerste negen jaar eigenlijk alleen politiek getinte controverses kende. Over het selectiebeleid van IDFA wordt wel veel gemopperd, maar niemand zou het belang willen ontkennen van het bestaan van IDFA, en de impulsen van het festival voor de erkenning van het belang van documentaires, hun vertoning op televisie en in de bioscoop. De Nederlandse documentaire traditie heeft het mede mogelijk gemaakt dat in Amsterdam een groter publiek voor een documentairefestival bestaat dan waar ook elders ter wereld. Die traditie, van Ivens, Vrijman en Van Gasteren, heeft altijd de wereld eerder willen veranderen dan interpreteren. Daarom kan IDFA ook niet anders zijn dan een maatschappelijk geëngageerd, politiek festival dat in toenemende mate ook open zal moeten staan voor meer beschouwende en individualistische documentaires.