Drinkwater geen schaars goed

Hoewel het tegendeel soms wordt beweerd is het aanbod van water - ook drinkwater - in Nederland geen probleem. “Het wordt hier alleen maar natter”, bromt een expert. Daar komt bij dat het hoofdelijke waterverbruik zich sinds 1990 heeft gestabiliseerd.

ROTTERDAM, 20 NOV. In Nederland is geen sprake van waterschaarste. Ook niet van schaarste aan drinkwater. Er is zó weinig drinkwaterschaarste dat de vereniging van Nederlandse drinkwaterbedrijven (Vewin) nog nooit heeft nagedacht over de mogelijke gevolgen van een klimaatverandering voor de watervoorziening. Het zal hier waarschijnlijk alleen maar natter worden, bromt ir. E.J.J. Cals, directeur van de Vewin in Rijswijk.

Over de technische en fysieke kanten van de Nederlandse drinkwatervoorziening heeft Cals weinig verontrustends te melden. Van een dreigende uitputting van de grondstof is geen sprake, zeker niet sinds begin jaren negentig, mogelijk als reactie op langlopende voorlichtingscampagnes, voor het eerst in de geschiedenis een eind is gekomen aan het almaar stijgende hoofdelijke waterverbruik in Nederland. Sinds 1990 stabiliseert het drinkwaterverbruik op zo'n 230 liter water per hoofd per dag. Zó onverwacht is de groei tot stilstand gekomen dat een aantal kleinere waterbedrijven zich erdoor heeft laten verrassen. Men vreest er nu de gemaakte investeringen niet op tijd terug te verdienen.

Het Nederlandse drinkwater wordt ruwweg voor tweederde bereid uit grondwater en voor één derde uit oppervlaktewater. Van een uitbreiding van het grondwaterverbruik is geen sprake meer, eerder is het omgekeerde het geval sinds ook van de zijde van de waterleidingbedrijven is ingezien dat hun grondwateronttrekking hier en daar bijdraagt aan de ongewenste 'verdroging' in de natuur.

Wat er nog aan uitbreiding nodig was en is komt van het oppervlaktewater, in hoofdzaak Rijn en Maas. De Rijn - 'een succesverhaal' - is steeds schoner geworden, de Maas is 'een zorgenkind' maar wordt in ieder geval niet vuiler. Er is hoop op wat meer Belgische inspanning. Het oppervlaktewater is in Nederland in zekere zin een onuitputtelijke bron. Cals: “Met hulp van de techniek is van bijna alle soorten water drinkwater te maken, als je maar bereid bent ervoor te betalen.” Omdat grondwater een veiliger en vooral goedkopere grondstof is dan oppervlaktewater brengt de Vewin veel overredingskracht in stelling om het grondwater te beschermen tegen landbouwbestrijdingsmiddelen en nitraat uit mest en kunstmest. Waar nodig koopt men zelf grond aan rond drinkwaterputten.

Er is binnen de Vewin wat discussie over de vraag of er ter wille van de nagestreefde waterbesparing ook leidingnetten voor 'ander water' moeten komen, goedkoop spoelwater dat niet voldoet aan de kwaliteit van drinkwater. Het ministerie van VROM is er, blijkens het Beleidsplan Drink- en Industriewatervoorziening (BDIV) van 1995 eigenlijk tegen, de Vewin is er niet vóór, maar hier en daar gebeurt het toch. Cals: “Ik vraag me soms af of het niet een beetje modieus is.”

Voor het overige gaan de drinkwaterbedrijven kalm hun gang op een weg die zij al een tijd bewandelen. Men vervangt het lood van de leidingen en het chloor van de desinfectie door vriendelijker materialen en voert de 'bemetering' van de consument op. Ook blazen de bedrijven - met steun van VROM - hun partijtje mee in het moderne streven naar schaalvergroting. Men fuseert dat het een aard heeft: in 1975 waren er nog 111 waterleidingbedrijven, nu zijn er nog maar 26. Rond 2000 zal dat, denkt Cals, verder zijn teruggelopen tot ongeveer 15. Schaalvergroting moet, vindt ook het ministerie van VROM.

Geen zelfgenoegzaamheid, maar toch wel gemoedsrust heerst er in Rijswijk. Het afgeleverde water voldoet aan de normen die de EU stelt en ook aan de - strengere - Nederlandse normen van de Waterleidingwet. De enkele overschrijdingen (voornamelijk wat betreft de nitraatconcentratie) zijn nooit bedreigend voor de volksgezondheid. Het scheikundig en bacteriologisch toezicht op de drinkwaterkwaliteit door Ster-erkende laboratoria is uitputtend en ook het toezicht op het toezicht, door het RIVM en het ministerie van VROM, is goed geregeld. De 'leveringszekerheid' is bijna honderd procent en de lekverliezen zijn, vergeleken met een land als Engeland, waar 30 procent van het geproduceerde water spoorloos verdwijnt, heel gering. Nederland kent een 'niet afgerekend verbruik' van maar 6 tot 8 procent.

Over het geheel bezien staat de Nederlandse drinkwatersector er goed voor, klinkt het ook uit onverwachte hoek, het Onderzoekcentrum financieel en economisch beleid (Ocfeb) van de Erasmusuniversiteit. 'Het kennisniveau is hoog, de infrastructuur is modern en de bedrijven hebben geen moeite om hun uitbreidingen of moderniseringen gefinancierd te krijgen.'

En toch heeft het Ocfeb in een recent rapport ('Mogelijkheden tot marktwerking in de Nederlandse watersector') kritiek geuit op de waterbedrijven. Er is sprake van een flinke kosteninefficiëntie en het Nederlandse drinkwater is vergeleken met het buitenland duur. Te duur, misschien wel. Per hoofd van de bevolking wordt per jaar zo'n acht gulden te veel betaald aan drinkwater.

Ocfeb verrichtte zijn studie in opdracht van de directie marktwerking van EZ en dat geeft al aan uit welke hoek de wind waait. Waterbedrijven zijn openbare nutsbedrijven in monopolieposities en dat laat zich niet verenigen met het streven van de Europese Unie naar een zo vrij mogelijk verkeer van goederen. Los daarvan lijkt er een bijna objectief-wetenschappelijk bezwaar tegen publieke bedrijven en monopolies te bestaan, zoals het Ocfeb ook noteert. 'Publieke bedrijven kennen te weinig prikkels om de kosten te minimaliseren.' En een 'monopoly...is a great enemy to good management', laat men Adam Smith zeggen.

Het Ocfeb-team, dat terloops en tot zijn eigen verrassing vaststelde dat verdere schaalvergroting in de drinkwatersector géén kostenvoordelen meer oplevert, komt tot vier aanbevelingen waarover sinds het verschijnen van de studie in juli verwarring en ergernis is ontstaan. In de laatste aanbevelingen wordt ten slotte de raad gegeven te onderzoeken of er niet meer concurrentie tussen de bestaande (overigens niet te privatiseren) bedrijven moet komen en of een ontkoppeling tussen de productie en distributie, zoals in de elektriciteitssector, niet wenselijk is.

Maar desgevraagd laat onderzoeker drs. E. Dijkgraaf weten dat de hoogste prioriteit moet worden toegekend aan de eerste aanbeveling: er moet een dienst komen ('CONWAS') die toezicht houdt op de tariefvorming van de waterbedrijven. Nu ligt dat toezicht bij de aandeelhouders (provincies en gemeenten) en dus binnen eigen kring. Pas als CONWAS heeft vastgesteld dat er belangrijke tekortkomingen zijn, zou het tot een soort prijsregulering op grond van een onderling vergelijk kunnen komen. Want, zegt Dijkgraaf, de drinkwatersector functioneert op negen van de tien punten goed en je moet een goed functionerende bedrijfstak niet zomaar op zijn kop zetten.

Ook onderzoeker drs. E.G. van de Mortel onderstreept dat het Ocfeb-rapport in hoofdlijnen een gunstig oordeel velt over de watersector. Bij nader inzien blijkt ook op de geconstateerde hoge waterprijs van Nederland wel wat af te dingen. Het gehanteerde bedrag komt uit een Britse studie die een beperkte steekproef nam onder Nederlandse waterbedrijven en de grondwaterbelasting van 34 cent per kubieke meter (die in 1995 werd ingevoerd) in de waterprijs opnam. Zonder de belasting komt de gemiddelde prijs makkelijk zo'n 15 procent lager uit. Dan blijkt het water in Nederland goedkoper dan in Duitsland, België en Frankrijk (tenzij ook daar onbekende heffingen in de prijs zijn inbegrepen). Het geconstateerde prijsverschil gaat ook voorbij aan verklaringen voor dat verschil. Het is makkelijk goedkoop water leveren als het kant-en-klaar uit de bergen komt, als nauwelijks geïnvesteerd wordt in onderhoud en modernisering van het leidingnet of als de waterprijs wordt gesubsidieerd, zoals in de VS. Het kan bijna geen toeval zijn dat in de landen waar het water net zo 'duur' is als in Nederland ook het hoofdelijk waterverbruik vergelijkbaar laag is.

Zelfs zijn de Ocfeb-onderzoekers bereid toe te geven dat de gebleken kosteninefficiëntie maar een ruwe schatting was. De gehanteerde methode was eenvoudig: men selecteerde de bedrijven die het drinkwater tegen de laagste kosten produceerden en onderzocht hoeveel de andere bedrijven daar boven uitkwamen en welke 'exogene factoren' (vervuild grondwater, een ongunstige netstructuur, veel te vervangen lood, et cetera) als geldig excuus voor de hogere kosten waren te beschouwen. Maar de keuze van die exogene factoren, geeft men toe, was arbitrair. De uitspraak dat meer marktwerking misschien wel 15 procent voordeel zou kunnen opleveren noemt men niet meer dan een losse indicatie. “Het gaat erom dat het eens goed wordt onderzocht.”

Dat een eventueel op te richten CONWAS grote tekortkomingen zal vaststellen staat dus nog allerminst vast. Zoals niet duidelijk is of de Ocfeb-studie het ambtelijke denken überhaupt heeft beïnvloed. Dat blijkt pas als VROM eind december of begin januari de 'hoofdlijnennotitie' over de te vernieuwen waterleidingwet aan de Tweede Kamer aanbiedt.