Zuinigheid

Soms, als de radio weer bralt dat ik als MKB-ondernemer (kleine sukkelaar bedoelen ze) mijn markten moet uitbreiden met hulp van een erkende etherproleet; als mijn avondblad vergezeld gaat van een vette folder die mij gouden bergen belooft wanneer ik meedoe in een patserfonds met ingebouwde koersverhoger (geen eigen geld nodig indien ik een snor laat staan); als ik mensen die ik altijd voor beschaafd heb gehouden over flippen en klemmen hoor praten alsof het instrumentjes zijn waarmee je zó iemands neus kunt rechtzetten - dan krijg ik wel eens heimwee naar de tijd toen iedereen arm was.

Althans, het fatsoen had om zich te gedragen alsof.

Heimwee naar mijn grootmoeder, die eind 1923 haar winterjas liet keren voor ƒ 12: dat was wel veel geld, schreef zij aan haar man die op reis was, maar de kleermaker zei dat het nog loonde. Heimwee naar de vrouwen die na de was hun vloer dweilden met het gebruikte sop, dat hiervoor immers nog goed genoeg was. Heimwee naar kousen die werden opgehaald, naar koekjestrommels die dicht bleven, naar sigarenas en oude theebladeren die god mag weten waarvoor nog van nut konden zijn. Wie was ook weer de oude dame die een doos had met het opschrift: onbruikbare eindjes touw?

De schaamte is voorbij, zeggen ze. Rijk Nederland verdient en spendeert ongegeneerd, 1997 is het jaar van het geld. De sociale voorzieningen worden weer geprivatiseerd, en toevallig merken ze juist nu ook dat subsidie voor de kunsten weggegooid geld is. Wie een beetje verstand had, heeft dat altijd al kunnen bedenken. Maar om erover te gaan miezemuizen terwijl iedereen zich klaarblijkelijk suf verdient aan kunstwerken van een heel andere orde, dat heeft toch iets onplezierigs.

Schaamden mensen zich vroeger echt voor hun geld? Dat is wat je hoort beweren, en daarmee krijgt de ongegeneerde geldsmijterij meteen iets van een bevrijding, ja, iets waar je respect voor moet hebben. Zoals vrouwen twintig jaar geleden een warm gevoel kregen als zij met spiegels en vogelbekjes hun genitaliën durfden inspecteren, zo maken nu de nieuwe rijken de prijs van hun maatpak bekend, in manmoedig verzet tegen een verouderde moraal.

Ik geloof eigenlijk dat die helden van het nieuwe geld helemaal niet weten waar zij het over hebben. Helden zoals de rechtse geldcolumnist die vorige week in een opinieblad Albert Heijn (de mens) een leugenaar noemde. Heijn had in een interview gezegd dat hij het liefst een boterham met pindakaas eet, en 's avonds aardappelen met andijvie. Dat zei hij natuurlijk om zijn klanten te vriend te houden, wist de geldcolumnist, op weg naar zijn volgende bord kaviaar.

Op dezelfde bladzij verzuchtte een schrijver dat hij zoveel tegenstand krijgt als hij, zelf onbemiddeld, zich de pose aanmeet van iemand voor wie geld geen rol speelt. Dat dat kennelijk niet straffeloos kan. In koor riepen zijn twee gesprekspartners, met hun Jaguars voor de deur: 'Nee, niet als je het geld niet hebt!' Onthullend, zo'n reactie.

De gedachte dat het veel leuker is om zonder geld een grote mijnheer te spelen dan met, paste niet in hun koppen. Net zomin als het idee dat een rijkaard oprecht van andijvie zou kunnen houden.

Nee hoor, vroeger was het ook niet alles. Er waren niet alleen minder rijken, maar vooral ook veel meer armen, en inderdaad, men geneerde zich voor van alles meer dan nu. Maar de gepasseerde schaamte waarover je de laatste tijd zoveel hoort, daarmee zat het een beetje anders.

De rijken van weleer, waarvan Albert Heijn (bien étonné) een aardig voorbeeld is, schaamden zich heus niet voor hun geld. Maar zij schaamden zich evenmin voor hun zuinigheid. Sterker nog, hun zuinigheid, die in onze ogen soms op benepenheid lijkt, was een vorm van beleefdheid. En iedere nette rijkaard wist dat praten over geld net zoiets is als praten over je lever, je onderbroek of de rest van je bezittingen. Het kan, maar bijna alles is interessanter.