Timing 'werktop' EU kan niet beter

Als de nood het hoogst is, is de redding nabij. De 'nood' wordt morgen en vrijdag, als de Europese regeringsleiders bijeenkomen in Luxemburg op een speciale werkgelegenheidstop, omschreven als de hoge werkloosheid in de Europese Unie, de te grote inactiviteit van de bevolking en de hoge vaste arbeidskosten. De 'redding' komt in de vorm van de speciale werkgelegenheidstop, die in juni rond de ondertekening van het Verdrag van Amsterdam, is afgesproken nadat met name Frankrijk daar op aandrong.

Europa moet goedkoper, flexibeler en toegankelijker worden. Wat de regeringsleiders in Luxemburg daar ook over afspreken, nu al staat vrijwel vast dat over een aantal jaren met tevredenheid zal worden teruggekeken naar die bijeenkomst in november 1997. De 'banentop' heeft plaats op het moment dat de Europese economie de weg omhoog toch al heeft gevonden.

Wie wil, kan nu al een juichverhaal schrijven over de wedergeboorte van economisch Europa. Dat relaas zou een spiegelbeeld zijn van de statistische exercities die de laatste jaren tot treurverhalen leidden. Toen werd gewezen op de enorme stijging van de loonkosten in Europa, ten opzichte van de voornaamste concurrent, de VS. Dat is logisch als die loonkosten in een gemeenschappelijke munt worden uitgedrukt: de dollar daalde in 1994-1995 met meer dan dertig procent ten opzichte van de belangrijke Europese munten. Europeanen werden navenant zo'n dertig procent duurder. Sindsdien is de dollar weer opgeveerd: en kijk eens hoe concurrerend de Europese werknemer dit jaar blijkt te zijn geworden. Eind 1995 was hij, ten opzichte van 1991, ruim 20 procent duurder geworden dan zijn Amerikaanse collega. Eind 1997 is hij, ten opzichte van 1991, opeens 7 procent goedkoper.

De groei van Europa's arbeidsproductiviteit nam in 1992-1993 en in 1995-1996 dramatisch af, en ondersteunde de klachten over Europa. Dat is te wijten aan de ruwe manier waarop productiviteit in de statistieken terecht komt: men neme het bruto binnenlands product en dele dat door het aantal werkenden. Als de economische groei afremt, maar er nog geen ontslagen vallen, daalt de arbeidsproductiviteit automatisch. Geen nood. Sinds halverwege vorig jaar trekt de economie in Europa al aan, terwijl werkgevers hun medewerkers liever iets harder laten werken en overuren laten maken dan meteen nieuwe mensen aan te nemen. De arbeidsproductiviteit stijgt onder die omstandigheden enorm. De vorige piek stamt uit begin 1994, toen Europa een korte economische opleving doormaakte.

De plots goedkopere en productievere Europese werknemers staan al te popelen om de omslag te halen van Time of Newsweek: zet je schrap Amerika, de comeback van Europa nadert.

Het zou pas echt áf zijn als de recordwerkloosheid in Europa na de banentop ook daalt. Gestandaardiseerde OESO-cijfers over de EU geven een werkloosheidspercentage aan van 10,4 procent. De EU zelf hanteert 11,4 procent. Wanneer de werkloosheid de gangbare daling vertoont die bij Europese conjunctuurcycli hoort, dan nadert zowel het OESO-cijfer als dat van de EU over een jaar of vier de 7 procent. Dat is nu juist het streefdoel dat voorzitter Jacques Santer van de Europese Commissie wil inbrengen op de banentop.

De EU is al bezig aan een krachtige conjuncturele opleving. De hardste bezuinigingen om te voldoen aan de toelatingseisen voor de muntunie, die vaak moesten worden getroffen terwijl de economie in het slop zat, zijn in de loop van 1998 goeddeels achter de rug: de opgaande conjunctuur doet dan het zijne om de overheidsfinanciën te verbeteren. De rem die de gedwongen zuinigheid op de consumptie zette zal worden losgelaten.

Zo zal de banentop plaatsvinden op het moment dat de markt de scherpste kanten van het Europese werkloosheidsprobleem afhaalt. Wat niet wil zeggen dat de noodzaak om de Europese arbeidsmarkt flexibeler, goedkoper en makkelijker toegankelijk te maken is verdwenen. Integendeel. Maar dat hadden alle belangrijke industrielanden, inclusief alle leden van de Europese Unie, zich al lang geleden tot in detail voorgenomen in het OESO-jobs program dat begin jaren negentig werd geïntroduceerd.