Poldermodel nog springlevend

Vakbonden en werkgevers hebben gisteren een akkoord gesloten in de Stichting van de Arbeid over loonmatiging, in ruil voor flexibele beloning, verlofregelingen en scholing.

ROTTERDAM, 19 NOV. Het poldermodel heeft weer gezegevierd. In het diepste geheim zijn vakbonden en werkgevers er gisteren in geslaagd om een akkoord te sluiten over een gematigde loonontwikkeling in de komende CAO-onderhandelingen, in ruil voor scholing en zorgverlof. Eind vorige week sloten de sociale partners al samen met de overheid een convenant waarin vakbonden en werkgevers beloofden zelf met voorstellen te komen over een versobering van de pensioenregelingen in Nederland.

Voor minister Melkert (Sociale Zaken) komt het loonakkoord in de Stichting van de Arbeid op een geweldig moment. Morgen begint in Luxemburg een grote tweedaagse topconferentie over de werkloosheidsproblemen in Europa. Na de reeks van lovende verhalen die eerder dit jaar over het Nederlandse overleg in de buitenlandse media waren verschenen, werden er de afgelopen maanden juist weer steeds meer kritische kanttekeningen bij gemaakt. Vol trots kan Melkert zijn buitenlandse collega's nu vertellen dat het poldermodel nog steeds in full swing is.

Het akkoord dat gisteren in de Stichting van de Arbeid is gesloten, is eigenlijk niets meer dan een bevestiging van de afspraken die in 1993 zijn gemaakt. In dat akkoord, dat de naam 'Een nieuwe koers' meekreeg, bereikten de vakbonden en werkgevers voor het eerst sinds 1982 (toen het beroemde akkoord van Wassenaar werd gesloten) overeenstemming over een arbeidsvoorwaardenbeleid waarin een gematigde loonontwikkeling centraal kwam te staan. In ruil beloofden de centrale werkgeversorganisaties er alles aan te doen om meer mensen aan het werk te houden. Ook arbeidsduurverkorting - tot die tijd een vloekwoord in werkgeverskringen - werd door VNO-NCW niet meer van de hand gewezen.

Het nieuwe akkoord, waarvoor de sociale partners nog geen pakkende naam hebben kunnen bedenken, gaat uit van hetzelfde recept maar met iets andere ingrediënten. De vakbonden committeren zich ook de komende jaren aan een zogeheten “verantwoorde loonkostenontwikkeling”. Volgens FNV-bestuurder Henk van der Kolk, verantwoordelijk voor de coördinatie van de verschillende CAO-onderhandelingen, kan dat niet zomaar vertaald worden in een 'gematigde loonkostenontwikkeling'. “We praten over een verantwoorde ontwikkeling, niet over een gematigde ontwikkeling. Gezien de economische omstandigheden is er nu meer ruimte, en daar maken we ook gebruik van.”

Die financiële ruimte bij werkgevers zal voor een deel naar simpelweg meer loon gaan. Maar, en dat is voor de vakbeweging een belangrijke reden geweest om een akkoord te sluiten, dat geld moet ook voor een aanzienlijk deel besteed worden aan bijvoorbeeld goede scholings- en verlofmogelijkheden voor werknemers. “Looneisen van 5,6 procent zijn niet aan de orde. Daarmee scoor je als vakbeweging misschien wel op de korte termijn, maar uiteindelijk schiet je er niets mee op. Wij willen investeren in de portemonnee van morgen, niet nu potverteren.” De gunstige ontwikkeling van de Nederlandse economie staat in schril contrast met de sobere loonsverhogingen die de afgelopen jaren zijn uitgekeerd. Een ontwikkeling die niet alleen bij de vakbeweging, maar ook bij de werkgeverscentrales heeft geleid tot gemor onder de leden. Bij VNO-NCW vreesde de top dat florerende ondernemingen bij de komende CAO-onderhandelingen snel overstag zouden gaan voor forse salariseisen. Dat leidt weer tot het 'haasje-over-effect', waarbij ook in bedrijfstakken waar het minder goed gaat onvermijdelijk dezelfde looneis op tafel zou komen.

Hoewel de vakbeweging van oudsher niet al te grote verschillen wil tussen groepen werknemers, erkennen de bonden in het Stichtingsakkoord dat werkgevers de mogelijkheid moeten krijgen om hun personeel individueler te belonen. Het woord prestatiebeloning heeft inmiddels een te negatieve lading gekregen en is in de tekst dan ook nadrukkelijk vermeden. Maar tussen de regels door kan de indruk niet vermeden worden dat werknemers in de toekomst meer op prestaties mogen worden afgerekend.

    • Marcella Breedeveld