Pechvogel maakt furore

Na jaren van blessureleed is Peter de Vries dit seizoen de sterkste marathonschaatser. “Ik ben dit seizoen eindelijk mezelf.”

HEERENVEEN, 19 NOV. Twintig jaar schaatsen, een hoop pech en nu eindelijk succes. Treffender kan marathonschaatser Peter de Vries zijn loopbaan niet omschrijven. De 30-jarige inwoner uit Heerenveen won dit schaatsseizoen drie van de eerste zes marathons om de KNSB Cup.

Maar de trotse drager van het oranje leiderspak kende in zijn loopbaan vooral tegenslag. Bij een auto-ongeluk, tien jaar geleden, verbrijzelde hij zijn linkeronderbeen. In januari beleefde de schaatser in de Elfstedentocht zelfs “het dieptepunt” in zijn leven. Tussen Sloten en Stavoren brak hij een schouderblad. Zijn tocht der tochten was al voorbij nog voor het licht werd.

Dit schaatsseizoen verloopt voorspoedig. Onder de bijnaam 'Misdaadverslaggever', naar de televisiemaker Peter R. de Vries, maakt de Fries furore. Op de klapschaats, maar dat is volgens De Vries niet de verklaring voor zijn succes. “Slechts een enkeling rijdt nog op gewone schaatsen, dus voor iedereen is de situatie hetzelfde. Van goede vorm wil ik liever ook niet spreken, want vorm is iets dat zo kan verdwijnen. Ik ben dit seizoen eindelijk mezelf.”

De Vries groeide op met schaatsen. “Mijn vader schaatste tot zijn vijftigste wedstrijden. Ikzelf stond al op mijn derde op de ijzertjes. Als elfjarig jongetje stond ik al in de krant omdat ik een wedstrijd had gewonnen, prachtig.”

Toch was een schaatscarrière bijna aan zijn neus voorbijgegaan. De Vries speelde liever voetbal. Pas op zijn vijftiende koos hij voor het ijs. “Omdat schaatsen een individuele sport is. Ik kan slecht tegen mijn verlies en als sommige jongens bij het voetbal verstek lieten gaan, werd ik kwaad. Bij schaatsen hangt alles af van je eigen prestatie.”

Nadat hij zich eenmaal volledig richtte op het langebaanschaatsen, ging het steeds beter met de Fries. Een plaats in de kernploeg behoorde tot de mogelijkheden, maar juist op het moment dat hij door moest breken, sloeg het noodlot voor de eerste keer toe. De Vries reed met zijn auto tegen een boom. De botten van zijn linkeronderbeen staken door het vel heen en schaatsen leek verleden tijd. Maar De Vries knokte zich terug.

De Vries: “Ik had een doel om voor te vechten, het schaatsen. Dat hielp me er doorheen. Toen ik na ruim twee jaar eindelijk weer de ijsbaan betrad, stonden mijn vader en Henk Gemser, die me begeleidde tijdens mijn revalidatie, langs de kant te juichen. Gemser was degene die me destijds aanraadde om voor het marathonschaatsen te kiezen, omdat ik daarin meer kans van slagen had. Achteraf heb ik geen spijt gehad van die keuze”

Strijdlust hielp hem door de zwarte periode heen. Ook in het peloton staat De Vries bekend om zijn aanvallende manier van schaatsen. Hij smijt vaak met zijn krachten en in voorgaande seizoenen leverde dat vaak niet meer op dan een tiende plaats. “Maar de toeschouwers zeiden na afloop wel dat ik goed had gereden. Daar doe je het ook een beetje voor. Die mensen komen voor jou en willen een leuke wedstrijd zien.”

Aanvalsdrift heeft De Vries momenteel niet nodig. Zijn leidende positie staat een meer behoudende tactiek toe. “Dat is best wel moeilijk, want dat zit niet in mijn aard. Mijn ploegleider en teamgenoten helpen me erbij. Het heeft nu geen nut er lekker in te knallen, want ze laten me toch niet gaan. Dan verspil ik energie.” En dat kan De Vries niet gebruiken, want de concurrenten René Ruitenberg en Hans Pieterse liggen op de loer.

In het oranje leiderspak voelt De Vries zich heerlijk. Toch blijft de angst voor nieuwe blessures. Het ongeluk en de val tijdens de Elfstedentocht waren niet zijn enige tegenslagen. “Twee keer brak ik tijdens de revalidatie mijn been. Daarna kreeg ik last van een achillespees. Begin 1996 scheurde ik vervolgens een hamstring. In de daarop volgende zomer zat ik weleens wanhopig op de racefiets. Ik dacht soms: ik kap ermee. Uit woede over de pijn flikkerde ik mijn fiets dan in de berm.”

Afgelopen zomer ging het weer beter met De Vries. In de voorbereiding bleef hij blessurevrij en ook tijdens wedstrijden reed hij zonder pijn. “In het peloton wordt soms gezegd dat ik zo goed rijd, omdat ik veel meer train. Dat is onzin. Ik werk met mijn vader in onze sportzaak. Ik kan niet te pas en te onpas trainen. Sommige jongens trainen twintig uur per week, ik niet meer dan anderhalf uur per dag.”

Maar de angst voor een nieuwe tegenslag blijft De Vries achtervolgen. “Behalve in de laatste bocht. Dan ga ik volle bak. De winst is op dat moment het enige dat telt.”

    • Johan Stobbe