Opportuniteit

“HET NIET VERDER VERVOLGEN van een verdachte, zelfs indien er strafvorderlijke dwangmiddelen zijn toegepast, is een normaal verschijnsel.” Deze verklaring geeft het openbaar ministerie (OM) te Amsterdam voor het besluit af te zien van een proces tegen demonstranten die tijdens de Eurotop werden opgepakt wegens “lidmaatschap van een criminele organisatie”, het inmiddels even populaire als omstreden artikel 140 Wetboek van strafrecht.

Centraal in het systeem van de Nederlandse strafrechtspleging staat het zogenoemde “opportuniteitsbeginsel”, de bevoegdheid van het OM af te zien van (verdere) strafvervolging om redenen aan het algemeen belang ontleend. Dezelfde verklaring gaat op voor de strafrechtelijke sisser waarmee een onderzoek van de rijksrecherche naar omstreden opsporingsmethoden in drugszaken van de politie in Zuid-Limburg gedurende de periode 1991-1994 onlangs afliep.

Er zouden in Limburg zelfs handtekeningen onder processen-verbaal zijn vervalst. Een doodzonde tegen de grondslagen van de strafrechtspleging. Want een proces-verbaal heeft dubbele bewijskracht. Als de rechter daar niet meer op kan vertrouwen, is het eind zoek. Het Limburgse OM zou de vervalste pv's op zichzelf ook wel willen aanpakken, maar het bewijs viel niet rond te krijgen, mede omdat de betrokken politiemensen glashard ontkennen. Omgekeerd zijn andere overtredingen die wel vallen te bewijzen niet van voldoende gewicht om een strafvervolging te rechtvaardigen. Nettoresultaat: nul.

DE HANTERING VAN het opportuniteitsbeginsel staat ter discretie van de overheid. Maar het is niet een volmacht voor willekeur. Er dient een beleid achter te zitten. In beide recente gevallen is er reden daar bij stil te staan, ook al gaat iedere vergelijking mank. De affaire-Limburg is tot ontknoping gekomen na de parlementaire enquête opsporingsmethoden. Heeft deze dan niets uitgehaald? Strafrechtelijke bewijsproblemen zijn moeilijk te weerleggen. Maar op het disciplinaire en bestuurlijke vlak mogen toch wel zichtbare beleidsgevolgen voor de politie van Zuid-Limburg worden verlangd.

De Amsterdamse affaire biedt een ander probleem. De aandrang tot vervolging gaat hier uit van verdachten die door de strafrechter willen zien vastgesteld dat zij ten onrechte zijn opgepakt. De wet kent een beklagsmogelijkheid tegen het afzien van vervolging, maar die komt alleen toe aan de direct belanghebbende. Volgens vaste jurisprudentie kan een verdachte slechts bij hoge uitzondering zijn belang bij eigen vervolging geldend maken.

Daar zit iets in - terechtstaan is geen onverdeeld genoegen - maar het gevolg is nu wel dat een serieuze klacht over het gebruik van het strafrecht niet aan de rechter kan worden voorgelegd. Het ging hier niet om eigenmachtig optreden van de politie, zoals in Limburg, maar om een met het volle medeweten van het OM toegepaste strafrechtelijke truc om potentieel (dus nog niet werkelijk) lastige mensen uit de circulatie te halen. Terwijl er nota bene een noodverordening van de burgemeester achter de hand was om direct in te grijpen zodra de nood werkelijk aan de man kwam.

HET TRADITONELE ANTWOORD op dit soort bezwaren is dat het Openbaar ministerie zelf als een “magistratelijk” filter fungeert, dus als een quasi-rechter. De Amsterdamse hoofdofficier van justitie Vrakking is zelf een voormalige rechter. Zijn opportunistische hantering van artikel 140 bij de Eurotop markeert een waterscheiding die past bij de strakkere politieke regie over het OM die wordt bepleit door minister Sorgdrager van Justitie. Zij heeft dus - alweer - nog wel iets uit te leggen.