Op de bres voor droom en fantasie

Jeugdtheater: Agnes en Axel, een droomspel, door Maccus. Regie: Jos van Kan. Tekst: Roel Adam. Muziek: Micha Hamel. Spel: Willemijn van der Ree, Hans Somers, Chris Vinken, Pieter van der Sman e.a. Gezien: 14/11, Theater de Veste, Delft. Tournee t/m 4/1/1998. Inl. (015) 212 29 77.

Een statig begin, een stuk dat druipt van de symboliek, een weemoedig stemmend slot: Agnes en Axel, een droomspel van jeugdtheatergroep Maccus is pompeus, kitscherig bijna, maar wel lekker. Zo spectaculair is jeugdtheater in Nederland zelden. Het stuk doet denken aan De tovenaar van Oz van Frank L. Baum of aan De oneindige reis van Michael Ende; moralistisch, sprookjesachtig en spannend tegelijk.

Voor het Delftse Maccus is dit soort grootse meeslependheid betrekkelijk nieuw, al kwamen de thema's 'dromen' en 'vertellen' bij hen al vaker naar voren. Vorig seizoen bijvoorbeeld in De Meemaaksters, maar dat was een sobere voorstelling voor in de klas, zonder speciale belichting, muzikanten, kostuums en decorstukken.

Tekstschrijver Roel Adam bewerkte eerder onder andere Peer Gynt van Ibsen en Moeder Courage van Brecht voor kinderen. Nu liet hij zich inspireren door Strindbergs Droomspel. De hoofdpersoon, de zuivere Agnes (Willemijn van der Ree), werd van een passieve toeschouwer een actief meisje in een ouderwets jurkje à la Alice in Wonderland of Dorothy uit Oz. Zij daalt niet vanuit de hemel neer, maar komt van zolder. Alle deuren openen zich voor haar.

Zij is bovendien niet alleen: het zieke droomkoninkje Axel (Hans Somers), een jongen van haar leeftijd, staat haar bij in haar gevecht tegen het voorgoed vervliegen van dromen en fantasieën. Agnes' vader is de Witte Koning, die strijdt tegen zijn broer, de kille, meedogenloze Zwarte. Uitroepen als 'het is vijf voor twaalf' en de reeds donker kleurende zoom van zijn witte kleed geven aan hoe nijpend de situatie is. Grote verrijdbare, grauw gekleurde decorstukken, ontworpen door Jan Ros, zijn op allerlei manieren tegen elkaar te schuiven om evenzovele poorten en trappenhuizen te suggeren. Aan de zijlijnen daarvan begeleiden in zwarte kaftans gehulde muzikanten de voorstelling op diverse instrumenten zoals een basgitaar en een viool. In Micha Hamels composities weerklinkt een breed scala aan emoties. Het geluid van een bangelijk hamerend hart is te horen, de tijd tikt, of de spelers brengen opvallend zuiver een droef lied ten gehore. Schimmen achtervolgen en belagen Agnes en Axel. Ze doen afwisselend denken aan een kerkkoor dat een klaaglied ten gehore brengt en aan een grimmige groep kwelgeesten.

Slechts af en toe dreigen het spel en de teksten zo gekunsteld te worden, dat het publiek afhaakt. Al te lang moet er niet worden doorgegaan met het geëxalteerd opsommen van tegenstellingen als 'kunst of natuur' en 'echt of onecht', want dan dreigt het voor volwassenen lachwekkend te worden en voor kinderen slaapverwekkend. Maar voor wie zich niet te veel stoort aan al te zware woorden, verwijzingen en symbolen is deze voorstelling van Maccus een weldadige wervelstorm; nachtmerrie en zoete droom tegelijk.