Hammacher kiest voor Spaanse beelden

Tentoonstelling: 'Experiment en ruimte.' Vier Spaanse beeldhouwers: Picasso, González, Miró, Chillida. In: Kröller-Müller Museum te Otterlo. T/m 18/1, di-zo 10-17 uur. Catalogus, 263 blz., ƒ 49,50.

Volgende maand wordt A.M. Hammacher, kunstcriticus en voormalig directeur van het Kröller-Müller Museum, 100 jaar. Om dit te vieren vroeg het Kröller-Müller hem een onderwerp te bepalen voor een tentoonstelling. Hammacher koos vier Spaanse beeldhouwers, die hij om uiteenlopende redenen tijdens zijn directoraat, van 1947 tot 1963, nooit heeft kunnen exposeren of aankopen: Pablo Picasso (1881-1973), Eduardo Chillida (1924), Julio González (1876-1942) en Joan Miró (1893-1983), elk vertegenwoordigd met circa vijftien beelden. Volgens Hammacher ontwikkelden zij nieuwe wegen voor de beeldhouwkunst en laten hun beelden een nieuwe opvatting van de ruimte zien. Daarom koos hij als titel voor de expositie Experiment en ruimte.

Hammacher heeft een onuitwisbaar stempel gedrukt op het beleid van het Kröller-Müller Museum. Eind jaren veertig besloot hij dat het museum, naast het conserveren van de verzameling van mevrouw Kröller, zich zou richten op een nieuw verzamelgebied: de moderne Europese beeldhouwkunst. Na enkele retrospectieve aankopen van werken die hij als essentieel beschouwde voor deze eeuw, zoals Maillol, Zadkine, Lehmbruck en Rodin, richtte Hammacher zich op de eigentijdse sculptuur.

Het Kröller-Müller zet dit beleid sindsdien voort. Na zijn vertrek als directeur vatte Hammacher het schrijven van beschouwingen over de moderne kunst weer op, de bezigheid die hem toch het meest geliefd was. Hij verwierf zich een internationale reputatie met zijn boek over de 20ste-eeuwse beeldhouwkunst The evolution of modern sculpture (in 1969 verschenen bij uitgeverij Abrams). Een stroom van publicaties volgde nog, waarvan het meest recent het inleidend essay is voor de catalogus bij zijn tentoonstelling.

Twee jaar geleden gaf Hammacher in een interview met NRC Handelsblad een soort korte definitie van de ontwikkeling van de moderne kunst. Hij zei: “In de 20ste-eeuwse kunst gaat het om de transformatie van het zintuiglijk waarneembare naar het mentale. De nadruk lag daarbij minder op het lichaam dan op de geest”.

Deze uitspraak kan als leidraad dienen voor deze tentoonstelling. Aan de ene kant van het spectrum, het zintuiglijke, staat een bronzen beeld van ruim een meter hoog, De Zwangere Vrouw van Picasso uit 1950. Het doet denken aan prehistorische vruchtbaarheidsbeelden. De vrouw staat stevig op grote boersige voeten geplant, de armen met gebalde handen houdt zij langs het lichaam gestrekt, het kleine hoofd rust op een krachtige hals.

De textuur van armen, hoofd en benen is expressief en levendig gemodelleerd, in contrast tot de glad gespannen borsten en buik. De borsten zijn gevormd door keramische waterkruikjes, en de buik door een kalebas; alleen tepels en een uitpuilende navel werden toegevoegd. Het monumentale beeld is een en al kracht en aardsheid.

Aan de andere kant van het spectrum, het mentale, staat de Hommage aan Goethe (1979) van Chillida. In doorschijnend albast hakte hij een aantal geometrische kamers uit. Chillida, die een architectenopleiding volgde, zocht naar ruimte in het beeld, waar het licht naar binnen kon vallen. Voor Chillida had de combinatie van licht en binnenruimte een mystieke lading. Het werk van Chillida is het meest abstracte op de expositie. Voor Hammacher vertegenwoordigt Chillida het 'moment in de beeldhouwkunst waarop de vorm niet langer als geslotenheid werd gerespecteerd, maar werd doorboord, zoals ook bij Lipchitz, Hepworth en Moore'. Chillida had een voorkeur voor de hardste materialen, zodat hij strijd moest leveren om de weerstand van marmer, steen, ijzer en beton te overwinnen.

González heeft als eerste het ijzer als volwaardig medium in de kunst geïntroduceerd. Hij was opgeleid in de ijzersmederij van zijn vader en maakte lange tijd ijzeren ornamenten en sieraden. Zijn eerste ijzeren sculpturen ontstonden pas toen hij 52 jaar was, beïnvloed door Picasso, die hem om advies had gevraagd bij het laswerk van ijzeren beelden.

Assemblage is in González' werk een sleutelwoord. IJzeren staven fungeren als assen, of als draaiende, beweeglijke contouren die het beeld het aanzien geven van een tekening in de ruimte. Het Gebed, dat Hammacher in 1955 voor het museum verwierf, is zo'n dynamisch, 'getekend' beeld, waarin de figuur van een harstochtelijk biddende vrouw te herkennen is. Met plaatijzer creëerde González volumes, zoals in zijn beroemdste werk, La Montserrat, een beeld van een boerenvrouw met kind dat ook op de tentoonstelling is te zien.

Miró is de meest speelse van de vier, en doet ook het meest eigentijds aan. Dit zal komen door de humor en de relativeringsdrang die uit zijn werk spreken. Als schilder wordt Miró ingedeeld bij de Surrealisten, maar als beeldhouwer hoort hij eerder thuis bij Dada. Zijn inspiratie vond hij in de hoedenwinkel, aan het strand of bij het afval. Zoals hij zei: 'Neem de tijd te kijken en verbind een doos met een lepel, een broodje met een steen, een kruk met een ei, en zij ondergaan een gedaanteverandering'.

'Sculpture-objets' noemde hij zijn beelden. Een van de mooiste, en een hoogtepunt op de tentoonstelling, is Monsieur et madame uit 1969: twee beschilderde bronzen krukken, monsieur vierkant en rood, madame zwart en rond. Monsieur heeft als symbool een streepje en een rondje gekregen, madame een mooi geel ei, balancerend op haar zitting. Het joie de vivre, waar dit beeldenpaar volgens Hammacher een uitdrukking van is, straalt nog steeds aanstekelijk - alsof het gisteren is gemaakt.

    • Janneke Wesseling