Dwarsfluit met bocht

“Wanneer muziekinstrumenten fabrieksapparaten waren zou de arbodienst meteen ingrijpen.” Instrumentendokter Maarten Visser beschouwt veel instrumenten als ergonomische miskleunen. Vanuit de Fluitstudio in de Amsterdamse Staatsliedenbuurt probeert Visser (38), de enige Nederlander die de opleiding voor instrumentenbouw in het Engelse Newark heeft doorlopen, het tij te keren.

Zo'n tien jaar geleden werden de eerste instrumenten voor gehandicapten door Visser verbouwd. Tijdens die revisies ontdekte hij dat ook de gezondheid van niet-gehandicapten lijdt onder de verkeerd vormgegeven instrumenten.

Visser: “Ergonomisch is het, sinds midden vorige eeuw, volledig de verkeerde kant opgegaan met de evolutie van instrumenten. De trend dat harder beter is heeft zich niet alleen in de pop maar ook in de klassieke muziek doorgezet. Alles is gericht op het behalen van een optimaal akoestisch rendement. Een 18de eeuwse traverso-fluit heeft een prachtgeluid, maar is niet meer te handhaven in een traditioneel orkest. Andere instrumenten overleefden de akoestische revolutie wel, nadat ze flink vergroot werden. Blaasinstrumenten kregen grotere gaten en werden daarmee een stuk langer. Langere halzen gaven violen en cello's meer volume. In beide gevallen moet de bespeler zich onverantwoord ver strekken om het instrument te bespelen.”

De problemen met violen zijn volgens Visser het ergst. Vooral het klemmen tussen schouder en kin levert problemen op. Visser: “Negentig procent van de afgestudeerde violisten kampt met nekklachten. Toch wordt het instrument niet aangepast. Het geluid is heilig. Kenmerkend is dat de belangstelling van de medische wereld voor mijn werk veel groter is dan bij muzikanten.”

Om de evolutie van het instrument een zetje in de goede richting te geven ontwikkelt een stagiair van de Haagse School voor Bewegingstechnologie een ergonomisch verantwoorde dwarsfluit in de Fluitstudio. De stagiair, Patrick Meutstege, laat zien in wat voor vreemde bochten een mens zich moet wringen om een dwarsfluit te bespelen. Meutstege: “Bij het bespelen ondergaat het lichaam twee tegengestelde krachten. Het hoofd moet recht op het mondstuk staan, terwijl het indrukken van de kleppen een linkse draaiing van het hoofd verlangt. De wervelkolom wordt zo gedwongen tot een soort dubbele spagaat. Tegelijkertijd draait de linkerarm weer te veel naar rechts. De pezen in beide polsen krijgen dus ook enorm op hun donder.”

De fluit die Visser samen met Meutstege ontwikkelde om deze problemen te ondervangen heeft een bocht van ongeveer 90 graden tussen het mondstukdeel en het kleppenwerk. Maar die aanpassing lost slechts de helft van het probleem op. Aan de hand van een stuk of tien dummy's onderzoekt de Fluitstudio waar de tweede bocht moet komen. De kunst bij het ontwerpen is het geluid en de klankkleur intact te laten of zelfs te verbeteren.

Tot op heden heeft Visser louter blaasinstrumenten gereviseerd. “Blaasinstrumenten liggen het meest voor de hand omdat ze, met al het kleppenwerk, al zwaar bewerkt zijn.” Het aanpassen van instrumenten voor gehandicapten gebeurt in opdracht van de speler. Visser: “De beste ideeën komen eigenlijk van de klant.”

Het handboek van de fluitstudio staat vol met foto's van aangepaste instrumenten. Onder de foto, vaak met gebruiker, staat de medische term voor de handicap. Zo is er een altsaxofoon voor een vrouw met een stompjeshand. Visser bouwde voor haar een saxofoon met grote plastic kleppen. Een meubelmaker die alle vingers van een hand verloor, bestelde een saxofoon met verlengde kleppen. Visser: “Voor een meisje met een spierziekte heb ik een blokfluit ontworpen waarbij de fluitkoffer als statief dient. Een hefboom werkt de fluit naar boven. Het tragische was dat de ziekte van het meisje erger werd, naarmate ze beter ging spelen.” Trots is Visser op zijn eenhandige blokfluit. De kleppen zijn zo verbonden dat de combinaties van de onderste vier knoppen voorzien in bijna alle grepen. Niet elk gaatje hoeft daardoor apart te worden ingedrukt.

Dat gehandicapten niet altijd in het nadeel zijn, bewijst jazzguitarist Jango Reinhardt met zijn aangepaste instrumenten. Visser: “Hij laat zien hoe je met minder vingers meer kan spelen.”

    • Jan Maarten Deurvorst