De Europese topconferentie over de werkgelegenheid in Luxemburg; Europees arbeidsbeleid ambitieus maar haalbaar

Wat kan Europa voor de werkgelegenheid doen? Europees commissaris P. Flynn zou het arbeidspotentieel beter willen gebruiken. In vijf jaar moet het aantal werklozen zijn teruggebracht naar zeven procent van de beroepsbevolking.

Op de topconferentie in Amsterdam is deze zomer overeenstemming bereikt over het werkgelegenheidsbeleid. Dit wordt nu als een zaak van gemeenschappelijk belang beschouwd, terwijl de coördinatie van het nationale werkgelegenheidsbeleid is versterkt. Zo is een nieuw mechanisme vastgesteld om deze coördinatie effectiever te maken. Dit voorziet in de vaststelling van richtsnoeren die de ministers moeten goedkeuren. Verder komt er een mogelijkheid om de ministerraad later aan afzonderlijke lidstaten aanbevelingen te laten doen. Deze procedure is vergelijkbaar met die voor het economisch beleid. In Amsterdam is ook nog afgesproken om deze nieuwe procedures onmiddellijk toe te passen en er is een speciale Europese Raad belegd om de werkgelegenheidssituatie te bespreken. Aan de Europese Commissie is verzocht het eerste stel richtsnoeren op te stellen.

Dit kan het begin worden van een nieuw, jaarlijks proces van nauwere samenwerking en coördinatie van het werkgelegenheidsbeleid. Dit proces zal interactief zijn. Elke lidstaat moet zijn eigen actieplan opstellen, aangepast aan zijn eigen omstandigheden, maar binnen een gezamenlijk Europees kader van doelstellingen en richtsnoeren.

De richtsnoeren hebben betrekking op ondernemerschap, inzetbaarheid, aanpassingsvermogen en gelijke kansen. Op elk van deze gebieden hebben we een beperkt aantal specifieke - en zo mogelijk kwantificeerbare - doelstellingen voor de lidstaten willen vaststellen. Daarbij hebben we ons geconcentreerd op acties waarvan kan worden aangenomen dat zij een sterk positief effect op Europees niveau hebben. Bovendien hebben we ze bredere doelstellingen gegeven, waarvan we hopen dat die worden bereikt als de richtsnoeren volledig ten uitvoer worden gelegd: een netto-arbeidsdeelname van 65 procent en een werkloosheidspercentage van 7 procent binnen 5 jaar. Deze doelstellingen zijn ambitieus maar haalbaar, mits het potentieel voor een stabiele groei wordt benut en gecombineerd met een op de toekomst gerichte structurele hervorming.

Wat zijn de belangrijkste elementen? Ten eerste het ondernemerschap, ofwel de vergroting van het vermogen om banen te creëren. Dit omvat zowel het vergemakkelijken van de oprichting van nieuwe bedrijven - bijvoorbeeld door het verbeteren van de toegang tot risicokapitaal - als het vergemakkelijken van het creëren van nieuwe banen - bijvoorbeeld door het verlagen van de indirecte loonkosten.

De inzetbaarheid, of de vergroting van de kans op het vinden van werk, het tweede punt, is echter de kern van de vier richtsnoeren. Het omvat, bijvoorbeeld, het aanpakken van de langdurige -en jeugd-werkloosheid door het bieden van een garantie voor een nieuwe start aan elke langdurige of jongere werkloze binnen 12, respectievelijk 6 maanden. Het idee is reeds enige tijd onderwerp van discussie in de lidstaten zelf en omvat ook het aanpakken van het probleem van de kwalificatiekloof door het verminderen van het aantal leerlingen dat de school vroegtijdig of zonder passende kwalificaties verlaat. Het omvat de mobilisatie van de enorme middelen in het belastings- en uitkeringsstelsel voor het nemen van actieve inzetbaarheidsmaatregelen, in plaats van het verlenen van passieve inkomenssteun.

Wat betreft het derde richtsnoer, het aanpassingsvermogen van de bedrijven en de individuele personen, hier moeten de sociale partners een sleutelrol spelen door het voeren van onderhandelingen voor het sluiten van overeenkomsten over nieuwe vormen van werkorganisatie en arbeidstijden. We leggen grote nadruk op de investering in vaardigheden, bijvoorbeeld door de aanmoediging van belastingprikkels, onder naleving natuurlijk van onze regels op het gebied van overheidssteun.

Wat, ten slotte, de gelijke kansen betreft, de werkloosheid ligt nu hoger bij vrouwen dan bij mannen en ook hun participatiegraad op de arbeidsmarkt is aanzienlijk lager. Als we deze problemen niet aanpakken, maken we geen enkele kans om de totale werkgelegenheid in Europa te verbeteren. Op de langere termijn is vanwege de demografische trends de groei van de werkgelegenheid ook noodzakelijk om onze levensstandaard op peil te houden. Het Europees sociaal model is in hoge mate afhankelijk van een toename van de arbeidsparticipatie van de vrouwen. Daarom willen we de netto-deelname van vrouwen in de Gemeenschap (nu slechts 50 procent) bevorderen en de werkloosheidskloof tussen vrouwen en mannen binnen 5 jaar met de helft verminderen.

We willen ons met deze plannen opzettelijk ambitieus tonen. Maar we zijn ook realistisch. We hebben veel tijd besteed aan het tot stand brengenvan het nodige elan en politieke engagement op Europees niveau. Het is nu tijd voor beslissende actie. De richtsnoeren vormen een uitdaging voor de lidstaten en een solide basis voor zo'n beslissende actie.

    • P. Flynn