Surinamer tussen feit en fictie

Mi Wanboi, Ned.1, 23.04-23.47u. Deel twee, 25 nov.

Marja Kok heeft een mooie, misschien wel te mooie film gemaakt over een Surinaamse jongen die in Nederland is opgegroeid en na de dood van zijn moeder naar Suriname reist om zijn onbekende vader op te zoeken.

'Mi Wanboi' (mijn enige zoon) is een gedramatiseerd verhaal en geen documentaire, zegt Marja Kok deze week in de VPRO-gids. “Henk en Adeye zijn echt vader en zoon, maar moeder is niet dood en het is ook niet waar dat ze elkaar voor het eerst zien. (...) Adeye is gewoon exemplarisch voor veel leeftijdgenoten.'

Dat had er dan wel even mogen worden bijgezegd, want de documentaire-achtige beginscène waarin Adeye zijn schooldiploma ontvangt, zet de kijker behoorlijk op het verkeerde been.

Afgezien van dat postmoderne spelletje met feit en fictie, is het resultaat, vooral in het eerste deel dat vanavond te zien is, imposant. We reizen met Adeye mee naar zijn vader, wandelen door Paramaribo, en trekken het binnenland in voor een jachtpartij en een bezoek aan het indianendorp Galibi.

Dit deel bevat prachtige opnames van Paramaribo en van de Surinaamse natuur. Het contrast tussen de stugge maar goed bedoelende vader Henk en de vernederlandste Adeye met zijn raps, walkman en T-shirt met opdruk 'Parental Advisory - Explicit Lyrics', is mooi, zij het soms al te nadrukkelijk.

Fraai is een shot van de rappende Adeye in het nachtelijke oerwoud: 'I'm not afraid. I gotta stay strong in this wilderness'. Je helpt het hem hopen.

Helaas maakt de film wel een wat overgeregisseerde indruk. De natuur blijft maar overweldigen, de close-ups van de sprekers blijven maar indringend. Sommige dialogen zijn bovendien zo duidelijk ingestudeerd dat ze iets onwerkelijks krijgen en ergens tussen soap en sprookje belanden. Luister hoe vader Henk zijn zoon uitlegt waarom hij hem op commandotoon aanspreekt: “Zo praat ik, ja? Zo praten we allemaal hier in dit land. Dat gecommandeer hebben we overgehouden uit de slaventijd. Dat is deel van onze cultuur geworden.” Dat mag natuurlijk waar zijn, of in Nederlandse reisgidsen staan, maar zo heb ik het een Surinamer nog nooit tegen zijn eigen kind horen zeggen, of blaffen.

Ook de ongevraagde uitleg die Adeye krijgt bij de jachtpartij in het bos - dat hier niet zomaar uit brute bloeddorst een dier wordt doodgeschoten, maar uit zeer beschaafde overlevingsdrift - zal bedoeld zijn om Hollandse kijkers begrip voor de Surinaamse cultuur bij te brengen, maar erg levensecht is het niet.

Je vraagt je ook af waarom Adeye maar met zijn walkman op door het bos blijft lopen (gevaarlijk!) en niet meer te zien is in Paramaribo. Krijgt hij geen vrienden? Vindt zijn vader de stad niet geschikt om een Surinamer van hem te maken? Het blijven open vragen.

Tot slot dan toch maar even de commandotoon: kijk naar deze film, ja?! Want ondanks de mankementen is het een mooi werkstuk dat je lang bijblijft.

    • Sjoerd de Jong