Pelgrimeren en picknicken gingen vroeger samen

Tentoonstellingen: Sanctus; met heiligen het jaar rond. Museum voor religieuze kunst, Uden. T/m 30/11. Catalogus: 79 pag. ƒ 15,00 Bedevaarten in Nederland. Catharijneconvent, Utrecht. T/m 11/1. Catalogus (Uitg. Walburg Pers) 223 pag., ƒ 29,50.

Bedevaarten zijn van alle tijden: al sinds het vroegste christendom trekken pelgrims naar plaatsen die met een bepaalde heilige zijn verbonden. Bij de populariteit van bedevaarten, die sinds de jaren tachtig van deze eeuw alsmaar toeneemt, spelen niet alleen zuiver religeuze intenties een rol. Steeds meer worden pelgrimages gezien als bezinningsreis of gezellig uitstapje.

Maar ook vroeger zal dat laatste hebben meegespeeld, zoals mooi wordt geïllustreerd door een 17de-eeuws schilderij op de tentoonstelling Bedevaarten in Nederland, nu ingericht in het Utrechtse Catharijneconvent. Het werk toont het heiligdom van Onze Lieve Vrouw Ter Nood in Heiloo in Utrecht. Op de voorgrond zit een familie in het gras, met gebedenboekjes en rozenkransen nog in de aanslag. Ondanks dat sterk religieuze karakter lijkt een genoeglijke picknick niet lang meer op zich te laten wachten.

Net als de bedevaart heeft ook de heiligenverering nooit losgestaan van het dagelijks leven. De feestdagen die het kerkelijk jaar aaneenrijgt, bieden alle gelegenheid de devotie tot Christus, Maria en de heiligen te structureren. De cyclus begint in november met de advent. Om de hoogtijdagen kerst en pasen zijn daarna de heiligendagen gerangschikt. Zo'n dertig daarvan waren in de middeleeuwen letterlijk holidays: vrije dagen.

Rondom deze tijdgebonden heiligencultus heeft het Museum voor Religieuze Kunst in Uden een tentoonstelling samengesteld. In die expositie wordt benadrukt dat in de middeleeuwse agrarische maatschappij de kerkelijke kalender min of meer in de pas liep met de wisseling van de seizoenen. Zo was er in de stille wintermaanden gelegenheid te feesten ter ere van Nicolaas (6 december) en Lucia (13 december). Het feest van Petrus Stoel (22 februari - de benaming verwijst naar Petrus' bisschopszetel) vormt de opmaat naar de lente. Maar het duurt tot na de 'ijsheiligen', van 11 tot 14 mei, voordat de natuur weer tot volle bloei komt.

De beeldhouwwerken, schilderijen, prenten en zilverwerk tonen voorstellingen van heiligen die traditioneel worden vereerd in Noord-Brabant en Limburg. Er zijn fraaie - vaak uit de vaste collectie van het museum afkomstige - werken bij, zoals een elegant houten beeld van de heilige Michaël van 'de Meester van Koudewater' (1480), en een reliëf met de Veertien Noodhelpers van Jörg Riemenschneider (1525), waarin prachtige detaillering gepaard gaat met een zekere plechtigheid van uitdrukking. Bijzonder delicaat is een 'gebedsnoot': een klein houten medaillon van de hand van Adam Dirksz (1520) dat, eenmaal geopend, minuscule reliëfs laat zien van de heilige Christoffel.

Ondanks de gewekte verwachtingen, wordt op de tentoonstelling, die zich concentreert op specifieke patronaten, van de redenen voor de verering voor bepaalde heiligen in relatie tot hun plaats op de kalender niet zo veel duidelijk. Er zijn ook maar weinig voorbeelden van heiligen bij wie deze relatie concreet wordt. Een terecht in de catalogus benadrukte uitzondering is de legende van een van de ijsheiligen, Servatius, die de associatie verklaart met het definitieve wijken van vorst en sneeuw in mei: over hem werd verteld dat, hoeveel sneeuw er ook valt, zijn graf er nooit door wordt bedekt.

De tentoonstelling in Uden is een onderdeel van de manifestatie Heiligen in Nederland. Naast een presentatie in het Haagse Museum Meermanno-Westreenianum over de 13de-eeuwse verzameling van heiligenlevens Legenda Aurea, maakt daarvan ook de Utrechtse expositie over bedevaarten deel uit.

Net als in Uden staat daar de rol centraal die heiligen als voorsprekers bij God speelden voor de gelovigen. Maar op de Utrechtse expositie vormt het uitgangspunt niet hun plaats op de kalender, maar de locaties die met de heiligen worden verbonden. Deze tentoonstelling concentreert zich op Nederlandse pelgrimsoorden: Maria-heiligdommen in Den Bosch en Heiloo, en heiligenbedevaartplaatsen, gewijd aan Cunera in Rhenen en aan de martelaren van Gorkum in Brielle.

De ontwikkeling van deze pelgrimsoorden door de eeuwen heen is typisch voor de veranderingen op religieus gebied in Nederland. Zo werden pelgrimages in de protestantse Republiek in de 17de eeuw verboden.

Toch blijkt bijvoorbeeld dat de bedevaart naar Onze Lieve Vrouw ter Nood in Heiloo juist in die periode pas goed op gang kwam. De kapel die daar ter herinnering aan een Mariaverschijning was gebouwd, werd op last van de Staten gesloopt. Maar hoe minder er van het gebouw overbleef, hoe meer devoot volk er op af kwam. Een andere manier om ondanks het verbod toch te kunnen pelgrimeren, was de tocht naar een heiligdom vlak over de grens, zoals naar het Duitse Kevelaer.

De geëxposeerde schilderijen, beelden en prenten geven een beeld van het uiterlijk van deze bedevaartplaatsen en de heiligen die er worden vereerd. Een vloed aan ander materiaal geeft een idee van de objecten die ter pelgrimage werden meegenomen, dan wel als aandenken weer mee naar huis werden gebracht. Daar zijn staaltjes van serieus en artistiek ambachtswerk bij, zoals middeleeuwse pelgrimsinsignes, Mariabeelden en processievaandels - maar ook allerhande 19de- en 20ste-eeuwse prullaria, zoals devotieprentjes, vaantjes en zelfs theelepeltjes. Het valt op dat veel van de werken niet uit musea komen, maar uit het bezit van parochies en broederschappen die er tot op de dag van vandaag nog gebruik van maken.

    • Bram de Klerck