Niets mis met geweldsonderzoek

Het Intomart-onderzoek naar de omvang van huiselijk geweld kreeg meteen na verschijnen een hausse aan kritiek uit de universitaire wereld. Onderzoeker Tom van Dijk slaat terug. De hoogleraren zouden het rapport eerst eens moeten lezen.

Is nu echt alles geoorloofd? Vernietigende kritiek op een onderzoek zonder het gelezen te hebben? Moet kunnen. Hoor, maar geen wederhoor? Geen probleem. Onderbuikgevoelens laten prevaleren boven kritische rationaliteit. Lekker!

Een paar weken geleden is een in opdracht van het ministerie van Justitie gehouden onderzoek gepubliceerd naar de aard en omvang van huiselijk geweld. Een van de uitkomsten was de voor velen onvoorstelbaar grote verspreiding van huiselijk geweld. Liefst 45 procent van de Nederlanders blijkt ooit slachtoffer te zijn geworden van een niet-incidentele vorm van geweld binnen de huiselijke kring.

Dat bleek een onwenselijk uitkomst, voor sommigen althans. Daarom werd een klassiek mechanisme in stelling gebracht. De bezorger van de boodschap moest worden gekielhaald. De tot nu toe meest indrukwekkende sluipmoord was te vinden in NRC Handelsblad van 8 november. Een rij hoogleraren kreeg daar de gelegenheid het onderzoek met de vloer gelijk te maken.

Zo zou de definitie van huiselijk geweld te ruim zijn, aldus prof. Crombag. Dat is onjuist. Aan de geïnterviewden zijn 32 voorvallen voorgelegd, met de vraag of zij daar ooit slachtoffer van zijn geworden. Dat daar zo'n hoog percentage uit naar voren is gekomen, komt doordat niet alleen naar mannelijke partners is gekeken als mogelijke daders, maar ook naar anderen (ouders, broers, zussen, andere familieleden, huisvrienden). Wordt alleen naar partners gekeken, dan zijn de resultaten vergelijkbaar met eerder onderzoek. In 1986 publiceerde Römkens een proefschrift over geweld binnen heteroseksuele man-vrouw relaties. Haar slotsom was dat 11,4 procent van de vrouwen slachtoffer was geworden van niet-incidenteel geweld. In ons onderzoek kwamen we voor geweld door mannelijke partners tot een percentage van 11,9. En als wij de resultaten van Nel Draijers dissertatie uit 1988 over incest bij jonge vrouwen bekijken, komen daar zelfs tot precies dezelfde uitkomsten.

Een bezwaar van prof. W. Ultee is dat onze referentieperiode te lang was. Wij hebben gevraagd of de respondenten 'ooit' slachtoffer zijn geworden. De hoogleraar zou er misschien verstandig aan doen ons rapport te lezen - en niet alleen af te gaan op persberichten. Wij hebben namelijk ook gevraagd wanneer het gerapporteerde geweld was begonnen en op welk moment het stopte. Zo is ook informatie ingewonnen over recent gepleegd huiselijk geweld.

De reden dat wij ook ruimer hebben gevraagd is echter dat wij ook informatie wilden over de kinderjaren. Eerder onderzoek heeft uitgewezen dat ook grote groepen kinderen slachtoffer worden van huiselijk geweld. Omdat het ons niet verstandig - en zelfs niet oorbaar - leek om kinderen te enquêteren, hebben wij volwassenen ondervraagd en daarbij de 'ooit-vraag' gesteld.

Er is nog een argument. Slachtoffers van huiselijk geweld hebben vaak grote aarzeling om te zeggen dat zij slachtoffer zijn. Soms duurt het jaren voordat ze daarover kunnen praten. Herinneringen worden nogal eens losgekoppeld van het 'normale geheugen'. Dat maakt het wijs om in onderzoek de 'ooit-vraag' te stellen.

Ultee zou zich eens de vraag moeten stellen, hoe eenvoudig het is slachtoffers van 'momentaan' geweld te interviewen. Mannen en vrouwen, jongens en meisjes die midden in een geweldsituatie verkeren laten zich niet snel enquêteren. In ons rapport concluderen wij daarom dat wij 'onderrapporteren' voor huiselijk geweld dat nu plaats heeft. Als wij hadden gedaan wat Ultee ons adviseert, was ons onderzoek mislukt.

Prof. Gill - die ons onderzoek niet kent - laat in het krantenartikel weten sowieso gereserveerd te staan tegenover de statistische methodes van commerciële onderzoeksbureaus. Hem nodigen we uit het onderzoek eerst te lezen en dan aan te geven waar wij verkeerde beslissingen genomen hebben. Eerst zien en dan pas oordelen.

Ten slotte nogmaals Crombag. Hij gelooft niet dat Intomart de methodologie en techniek in huis heeft om verantwoord onderzoek te doen naar dark numbers. Misschien mogen wij de hoogleraar een vraag stellen: worden de inzichten die onderzoekers hebben opgedaan binnen universitaire opleidingen ineens verduisterd als zij bij Intomart gaan werken? Toen één van de onderzoekers van de Intomart-studie in 1995 promoveerde aan de Universiteit van Amsterdam, kreeg hij daar te horen dat hij met zijn overgang naar Intomart lid zou blijven van de 'virtuele universiteit'. Dat is de spijker op zijn kop. Intomart dient de wetenschap, buiten de poorten van de universiteit. Het simpele feit dat iemand binnen de muren van de universitaire panden werkt, garandeert niet dat zijn oordelen status hebben.